Waarom Azië steeds rijker wordt... ...en Afrika niet

Dat er in Afrika nog altijd veel armoede heerst, wordt vaak geweten aan de corruptie in de lokale politiek.

Maar Zuidoost-Azië bewijst: goed landbouwbeleid maakt het verschil.

Door Dirk Vlasblom

In 1960 waren Afrikanen gemiddeld rijker dan Zuidoost-Aziaten.

Dat is verleden tijd.

Rond 1980 haalde Zuidoost-Azië Afrika in. En nu, anno 2011, is het hoofdelijk inkomen er het dubbele van dat in Afrika. In de jaren negentig was er wel wat groei in Afrika, dankzij verbeterd macro-economisch beleid en een toegenomen vraag naar grondstoffen. Maar die groei leidde niet tot vermindering van de armoede.

In Zuidoost-Azië daarentegen ging de economische groei gepaard met een spectaculaire vermindering van de armoede. In Indonesië daalde het percentage mensen onder de armoedegrens van 60 in 1970 tot 22 in 1984. In andere landen in de regio zien we soortgelijke prestaties – zij het op andere tijdstippen. De jongste winnaar is Vietnam.

Hoe kan dat? Waarom wordt Zuidoost-Azië rijker en rijker, terwijl het Afrikaanse continent in de armoede blijft hangen?

De belangrijkste reden is dat Zuidoost-Azië de afgelopen halve eeuw gewoon beter voor zijn boeren zorgde dan Afrika. Dit op landbouw gerichte beleid ontketende een spectaculaire economische groei.

De achterstand is extra navrant als we Afrika ten zuiden van de Sahara vergelijken met de landen van tropisch Zuidoost-Azië, die in de jaren tachtig de eretitel kregen van ‘tijgereconomieën’. Afrika heeft nog steeds geen economische leeuwen.

Veel afrikanisten schrijven het falen van Afrika op dit gebied vaak toe aan corruptie en ‘zwakke instellingen’. Maar sociaal-geograaf David Henley is sceptisch over deze verklaring. Hij is hoogleraar Hedendaags Indonesië aan de Universiteit Leiden en onderzoeker van Tracking Development, een onlangs afgesloten onderzoeksproject naar het Grote Verschil tussen Afrika en Zuidoost-Azië.

„Indonesië wedijverde in de periode van zijn grootste ontwikkelingssuccessen, de jaren zeventig, met Nigeria om de titel van ’s werelds meest corrupte land – met Thailand als goede derde. De reden voor Afrika’s mislukking is dus niet corruptie of slechte uitvoering van potentieel succesvol ontwikkelingsbeleid.” Nee, zegt Henley: de reden is dat Afrika nooit, zoals Azië, heeft geïnvesteerd in de landbouw.

Neem Indonesië. Vanaf 1968, toen Soeharto president werd, begonnen na jaren van stagnatie de inkomens in dat land te groeien – dankzij een ontwikkelingsstrategie ten gunste van het platteland en van de armen. Indonesië financierde de investeringen eerst met buitenlandse hulp, later uit de oliebaten. Eenderde van het ontwikkelingsbudget ging naar de landbouw. Het irrigatiesysteem werd verbeterd en er kwamen nieuwe rijstvariëteiten met een hoge opbrengst beschikbaar. Kunstmest en krediet werden gesubsidieerd. De staat garandeerde de boeren een minimumprijs voor hun rijst. Tussen 1968 en 1985 stegen de opbrengsten per hectare met 80 procent. In de jaren zestig was Indonesië nog de grootste rijstimporteur ter wereld, in 1984 was het zelfvoorzienend.

De nieuwe landbouwtechnologie was bovendien arbeidsintensief. Tientallen miljoenen boeren en landarbeiders profiteerden ervan. De overheid investeerde ook in wegen, elektriciteit, scholen en gezondheidszorg op het platteland, waar 70 procent van de bevolking leefde. De economie als geheel begon te groeien en in de jaren tachtig kregen particulieren vertrouwen in het land. Zij gingen investeren in arbeidsintensieve industrieën voor de export: kleding, schoenen en elektronica.

In Nigeria, dat net als Indonesië een belangrijke olieproducent is, groeide de economie aanvankelijk ook – door de olie-inkomsten. Maar die groei zette níet door: er werd namelijk niet geherinvesteerd in de landbouw.

Elders in Zuidoost-Azië vonden vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Tussen 1950 en 1970 verdrievoudigde het bevloeide areaal in Thailand, waardoor de rijstopbrengst toenam met 50 procent. In Maleisië begon de gestage groei in 1958, toen de regering van de net onafhankelijke Federatie Malaya aankondigde dat ze topprioriteit zou geven aan lotsverbetering voor plattelandsbewoners. Binnen vijftien jaar werden veel kleine rubbertuinen met overheidshulp beplant met nieuwe, productievere bomen. De rijstproductie werd verdubbeld door grote irrigatieprojecten. In Vietnam gebeurde hetzelfde tussen 1975 en 1990.

Waarom gebeurde dit? Omdat de politieke realiteiten van de jaren zestig Aziatische elites dwongen de belangen van kleine boeren serieus te nemen. Thailand en Maleisië kregen na de oorlog te maken met communistische opstanden. De communistische partij van Indonesië dreef sterk op de armen van het Javaanse platteland en dreigde te gaan domineren, tot het leger er in 1965 bloedig mee afrekende. De ontwikkelingsplannen voor het platteland die erop volgden, moesten de aantrekkingskracht van politiek radicalisme neutraliseren en zo de macht van de elites veilig stellen.

In Afrika gebeurde dit juist niet. De Afrikaanse regeringen wilden juist snelle industrialisering om die ‘achterlijke’ landbouw te boven te komen. Terwijl Indonesië zijn oliedollars in de jaren zeventig uitgaf aan arbeidsintensieve landbouw, besteedde Nigeria de olie-inkomsten aan kapitaalintensieve industriële projecten, waaronder een gigantische staalfabriek die nooit staal heeft geproduceerd. Zelfs als zij spullen maakten, hadden deze nieuwe industrieën heel weinig mensen in dienst. De groeiende kloof tussen arm en rijk werd door Nigeriaanse planners gezien als ‘de prijs van snelle ontwikkeling’.

Een paar Afrikaanse landen gaven wél prioriteit aan de landbouw, zoals Kenia – een ander land dat Tracking Development onder de loep heeft genomen. Maar de Keniaanse regering wedde niet op de massa arme boeren, die de meeste aandacht vroeg. In de jaren zestig gingen de landbouwsubsidies naar 3 procent van de boeren – een elite dus. Daardoor kwam ook daar de economie niet van de grond.

Pas in 2003 namen de Afrikaanse regeringen zich voor ten minste 10 procent van hun overheidsuitgaven te besteden aan landbouw. Tot op heden hebben maar acht landen dat werkelijk gedaan. Indonesië, met veel gunstigere omstandigheden voor landbouw, trok er in 1979 al 21 procent voor uit.

De politieke dreiging die Aziatische beleidsmakers destijds tot heilzame programma’s inspireerde, ontbreekt nu in Afrika, zegt Henley: „Electorale democratie legt niet dezelfde druk op regeringen. Toch kunnen donoren even goed bij Afrikaanse elites aandacht vragen voor het feit dat successen elders vooral zijn bereikt door strategieën ten gunste van armen en het platteland. Die hebben niet alleen de armoede verminderd, maar ook processen in gang gezet die hele landen welvaart brachten.”