Typecasting in Groningen

Stel, het water staat halverwege het tuinpad en op dat moment belt er een verslaggever aan. Welke vraag zou u, bijna-slachtoffer van een overstroming, van die verslaggever verwachten? Een goede vraag lijkt mij: „Hoe is dit voor u?” „Hoe is het om uw huis te moeten achterlaten?” Of desnoods de voetbalvraag: „Wat ging er door u heen toen u hoorde dat u moest evacueren?”

Het kan aan mij liggen, maar de afgelopen week heb ik op radio en tv veel vragen gehoord in de trant van: „U laat zich niet gek maken, hè?” „U houdt het hoofd koel, toch?” En: „U blijft er heel nuchter onder, hè?”

In het vakjargon worden dit gesloten vragen genoemd. Vragen waar het antwoord al grotendeels in besloten ligt, die maar weinig ruimte laten. Want ga maar na, het is niet makkelijk om op de vraag „U laat zich niet gek maken, hè?” te antwoorden: „Nou, dat lijkt maar zo. Ik vind het doodeng dat de dijk ieder moment kan doorbreken. En ik vind het verschrikkelijk dat mijn huis onder water loopt.” En dat dan met een microfoon en/of camera voor je neus.

Groningers staan bekend als nuchtere mensen. Nuchterheid wordt beschouwd als een belangrijke Nederlandse eigenschap. Wij Nederlanders zijn allemaal nuchter, maar de Groningers zijn kampioenen nuchterheid, gevolgd door de Friezen en de tukkers. Als Twente of Friesland onderliep zou je, vermoed ik, in de media een vergelijkbare typecasting zien: sturende vragen die niet in de eerste plaats tot doel hebben om informatie te verzamelen, maar om een bepaald beeld te bevestigen. Het beeld van de Nederlander die al eeuwen gewend is tegen het water te strijden. Fier en kloekmoedig, ferm en van stavast, zelfs als het water al tegen de plinten klotst.

Nog een stel: stel, je partner doet iets wat ook jou vervult van trots. Tegen een derde zul je waarschijnlijk makkelijk zeggen: „Ik ben trots op hem/haar.” Maar zeg je dit ook zo tegen je partner? „Ik ben trots op je.”

Ik heb hier de laatste tijd een paar keer over gediscussieerd. Conclusie: er zijn mensen die de rechtstreekse variant niet uit hun strot krijgen. Reden: als ouder kun je trots zijn op je kinderen – dat mag zelfs schaamteloos. Maar je kunt niet tegen je partner zeggen „ik ben trots op je”, want dit veronderstelt een machtsverhouding. Sommigen ervaren dit als kleinerend of betuttelend.

Ik heb dit zelf overigens nooit zo ervaren, maar zoals het gaat met die dingen: als je er een paar keer op gewezen bent, gaat het schuren.

Het ligt allemaal heel subtiel, maar een aardige test om de particuliere gevoelswaarde van het trots-zijn te bepalen is de vraag: kunnen kinderen trots zijn op hun ouders? Ik zou zeggen: waarom niet? Maar voor mensen voor wie trots-zijn is verbonden met een machtspositie ligt dit anders, zo is me gebleken. Die vinden het ongepast als een kind van thuiswonende leeftijd tegen een ouder zegt: „Ik ben trots op je.” Alsof dat kind z’n plaats niet kent.

Ik vermoed dat deze gevoeligheid te maken heeft met de ongunstige betekenis van trots, namelijk ‘verwaand, zelfingenomen, uit de hoogte’, maar in feite is dat een heel andere betekenis van hetzelfde woord.

Ik vind het prima om, in voorkomende gevallen, tegen m’n partner te zeggen „ik ben trots op je”, ik zou niet weten hoe ik dit anders zou moeten formuleren. Kinderen die trots zijn op hun ouders, trots zijn op jezelf – van mij mag het allemaal.

En áls je dan trots bent op jezelf, graag voluit. Dus niet: „Ik ben best een beetje trots op mezelf.” Dat is mij te on-Gronings.