Rookpluimen over de dadels van het nieuwe Libië

De oase van Jalu, die de beste dadels van Libië teelt, is getransformeerd tot een gifbelt vol pekmeren.

Het aantal miskramen is er abnormaal hoog.

Bij iedere stap die je doet, kraakt het als een vers pak sneeuw. Als je alleen zou luisteren en niet kijken, zou je je in St. Moritz kunnen wanen. Voorzichtig loop ik over de uitgekristalliseerde chemicaliën die omhoog zijn gekomen met de ruwe petroleum in het Nafura-olieveld net buiten de Libische oase Jalu. Jalu ligt zo’n vierhonderd kilometer ten zuiden van Benghazi.

Het veld met chemicaliën, vooral zouten, is beige en gemarmerd met lange strepen pek. Verderop ligt een zwart meer waarop loom een matras van glimmend olieresidu drijft. Nog weer verderop komt een dikke buis uit de grond met daarboven een enorme steekvlam. De buis gromt zwaar en onheilspellend.

Zelfs op grote afstand voel je dat het gas met een haast explosieve kracht naar buiten wordt gestuwd. „Die buis dateert van 1962”, zegt Abdulkader Awat. Hij is lid van de nieuwe rebellenraad van Jalu. „De oliemaatschappijen verkeerden in termen van milieuregels toen nog in een soort Stenen Tijdperk. Al een halve eeuw lang is via de buis 24 uur per dag koolstofdioxide en waterstofsulfide in gigantische hoeveelheden de atmosfeer ingegaan. Alleen tijdens de gevechten met Gaddafi eerder dit jaar heeft de olie- en gasproductie rond Jalu zes maanden stilgelegen. Dat was de eerste en enige keer dat die buis zweeg.”

Jalu en de twee zusterstadjes Aushila en Jhkira, die gedrieën de oase vormen, bestonden sinds eeuwen vooral van de verkoop van dadels. In heel Libië zijn Jalu’s dadels beroemd. Er zijn meer dan honderdvijftig variëteiten. De absolute topper is de fluwelige, lichtbruine ‘Sahedi nummer 1’. Die smelt op je tong.

Gaddafi had de export van deze Chateau d’Yquem onder de dadels verboden. Nog steeds ademt de oase een landelijke sfeer. Maar als je ’s ochtends vroeg, als er nog bijna geen wind staat, de straat op gaat zie je aan de horizon de zwarte rooksluiers. „Overal rond Jalu liggen olievelden”, zegt Abdulkader. „Het doet er dus niet toe wat de windrichting is. We hebben altijd overlast. Nu, in de winter, gaat het nog wel. Maar ’s zomers hangt hier door die waterstofsulfide permanent een geur van rotte eieren. De mensen zijn bang. Er is een gevoel van onzekerheid dat continu aan je blijft knagen. Er zijn nooit watermonsters genomen. En we weten niet wat we inademen.”

Hij vervolgt: „Tijdens Gaddafi was dit gewoon geen thema. Weet je, Gaddafi’s zoon Seif al Islam had ons, Libiërs, voorgehouden dat we over drie zaken niet mochten praten: a. zijn vader, b. de bestemming van al het geld en c. de olie-industrie. Jij bent de eerste buitenstaander die naar dit oliemeer is komen kijken. Vroeger zou me dat de kop hebben gekost.”

Libiërs doen niet gauw moeilijk over afval of milieuvervuiling. Neem Benghazi: in die stad tref je geen enkele vuilnisemmer aan. De stad zelf is als het ware zelf één grote vuilnisemmer. Veel mensen slingeren er hun huisvuil met een grote boog vanaf het balkon de straat op. Overal tref je er bergen rotzooi aan – geplet, verkleurd, verstoft afval dat er zo op het oog al sinds jaar en dag ligt.

Als de mensen in een plaats als Jalu zich druk maken, kun je er dan ook zeker van zijn dat het menens is. Het is in de oase haast een erezaak om op je mobieltje foto’s te hebben van ecologisch verkeerde zaken – een omineuze rookwolk boven een olie-installatie of ergens midden in de woestijn een grote plas water met foute kleur.

In het theehuis gaan de mobieltjes rond en de beelden worden bekeken en becommentarieerd. Druk gebarend proberen de mannen elkaar af te troeven: Wie heeft de grootste rookpluim?

Het zou grappig zijn als het niet zo grimmig was. Volgens Abdulkader zijn het vooral afwijkende ziektepatronen die de lokale bevolking beangstigen. Het aantal miskramen is abnormaal hoog. Datzelfde geldt voor allerlei soorten kanker.

Maar harde bewijzen heeft hij niet. Er zijn geen vergelijkende statistieken met oases waar geen chemische vervuiling is. Onder Gaddafi zou zo’n studie, op zijn zachtst gezegd, ook niet welkom zijn geweest.

In het gemeentehuis ontmoet ik Mohammed Iljaghi. Hij is ingenieur en werkt voor het Duitse oliebedrijf Wintershall, een dochter van chemiereus BASF. Met een aantal andere notabelen doet hij mee – dit is het nieuwe Libië – aan een workshop over mensenrechten en civil society. Tijdens een koffiepauze vertelt hij dat zijn bedrijf er alles aan doet om schoon te werken. „Een van de grootste problemen bij de olieproductie rond Jalu is dat de oliebedrijven het smerige water, dat onvermijdelijk met de olie mee wordt opgepompt, onbehandeld aan de oppervlakte van de woestijn laten. Vaak is de hoeveelheid water dat bovenkomt groter dan de hoeveelheid olie. De verhouding hier is meestal zeventig op dertig. Om de druk in het oliebekken te behouden, wordt zoet, helder water uit de woestijn de grond in geïnjecteerd.”

Iljaghi kent het zwarte meer ook. „Het is een van die plekken met smerig, zeg maar giftig, opgepompt water. Het is overigens een van de kleinere meren. In totaal zijn er rond de oase een stuk of tien. Er zijn er twee van elk zeker vier vierkante kilometer. De scheiding van de olie en het water gebeurt nogal primitief. Vandaar die dikke laag olieresidu die op het water dobbert. In 2008, toen de olieprijs naar de honderdveertig dollar ging, is dat residu van sommige meren afgeroomd en opnieuw door de separator gehaald om extra olie te winnen. Maar bij de huidige prijs heeft dat geen zin.”

Wintershall doet het volgens hem veel beter. „Bij ons gaat dat het opgepompte water weer terug de grond in. We gebruiken nu fiberglas buizen en hoeven niet bang te zijn voor corrosie. Maar Wintershall is hier de enige die zo werkt. Ook op allerlei andere punten zijn wij heel zorgvuldig. Zo volgen wij een zero flare-beleid. Al ons gas is voor verkoop op de wereldmarkt of het wordt gebruikt voor onze turbines in het olieveld.”

Ook Shell is weer aan de slag in Libië. Is dat een grote vervuiler? Iljaghi: „Shell werkt hiervandaan zo’n honderdvijftig kilometer naar het noordoosten. Maar ze zitten nog in de exploratiefase. Tot nu toe hebben hun boringen niets opgeleverd. Dus dan valt er ook niet veel te vervuilen. Maar ik ga ervan uit dat zij de hoogst mogelijke standaard volgen. Dat kun je overigens niet zeggen van de westerse oliemaatschappijen, die rond Jalu als partner van de Libische National Oil Corporation werken. Die lijken zich van het milieu niets aan te trekken. Dat geldt ook voor de expats in de oliekampementen. Er zit hier van alles – Australiërs, Canadezen, trouwens ook Nederlanders. Ze werken hier een tijdje en zijn dan weer weg. Maar wij zitten met de gebakken peren.” Dan, met een zuinig lachje: „Het enige dat ons bespaard blijft is zure regen – een klein pluspunt voor ons, woestijnbewoners.”

Ook al is er geen regen, zoet water is er in de Libische woestijn in overvloed. Een gelukkige omstandigheid, ook voor de oliemaatschappijen. Onder het zand bevindt zich de Nubische Aquifer, een in poreuze aardlagen opgeslagen watermassa van bijna 400 duizend kubieke kilometer. Libische hydrologen hebben ooit uitgerekend dat er 3.700 jaar aan Nijlwater nodig is om een bassin met zo’n kolossale inhoud vol te laten stromen.

Sinds de jaren negentig wordt het heldere woestijnwater opgepompt en gaat dan door twee stelsels buizen naar de dorstige kust. De Libische regering doopte de onderneming, die tientallen miljarden dollars opslorpte, het Great Man-Made River Project. Het is nu in Libië bon ton om wijlen Gaddafi af te kraken. Maar dit lievelingsproject van hem wordt door de bevolking nog steeds als visionair gezien.

Op een koude ochtend – bij zonsopgang vroor het nog – neemt Massoud Mohammed, een van de lokale grootgrondbezitters, me mee naar zijn palmenplantage. Langs de straten in het centrum van Jalu zitten gastarbeiders uit Darfur en Tsjaad in dikke winterjassen te wachten op transport naar de landerijen. De meesten zullen als ze genoeg gespaard hebben via Benghazi de overtocht naar Europa wagen. Massoud werkte toen hij nog veel jonger was voor BP en het Amerikaanse Occidental Petroleum. Op Massouds land staan de palmen in lange strakke rijen. Ze zijn bedekt met een laag grijs stof. In de uitgestrekte tomatenvelden, ook van hem, zijn gastarbeiders stil bezig met de oogst. Ze zijn hier illegaal en ze mijden oogcontact. Op de hoofdpaden liggen bergen prachtige tomaten naast bergen mislukte, zwart gevlekte tomaten.

De vervuiling laat Massoud niet koud. „Een jaar of tien geleden was het water hier op tien meter diepte nog zoet. Nu is het brak. Gelukkig kunnen palmen goed tegen brak water. Maar voor het zoete water, dat ik nodig heb voor mijn tomaten en okra’s, moet ik nu al naar 40 meter diepte. De groenteteelt wordt steeds moeilijker. Zie je die witte vlekken op de bladeren van de okra’s? Of neem de tomatenplanten. Er zijn hele rijen die gewoonweg schrompelen. Dat heeft vooral te maken met de vuile lucht.”

Als je met Google Earth op Oost-Libië inzoomt, zie je een rookpluim die bij Jalu opstijgt richting Middenlandse Zee. Een vette, zwarte streep boven het gelige zand. Iets naar het westen zie je nog zo’n streep. Die begint bij het beruchte olieveld D-103. Daar was in 1980 een grote olieramp. Zo’n 142 duizend ton ruwe olie stroomde uit over de woestijn.

Massoud: „Sommige oliemeren worden een paar keer per jaar in brand gestoken. Dat gebeurt om overstroming te voorkomen. Zo’n meer blijft een paar dagen branden. De rookontwikkeling die dan ontstaat, is met geen pen te beschrijven. Wat jij op Google Earth hebt gezien, dat is slechts wat er op gewone dagen hier de lucht ingaat. Tot zo’n vijftien jaar geleden kwamen ’s winters vanuit Europa grote zwermen trekvogels naar Jalu. Maar nu is zo’n beetje alles hier in de omgeving giftig en verprutst. De vogels komen niet meer.”