Het linkse imagoprobleem

Het is een bekend verhaal: bij sociale problemen wil links dat de overheid ingrijpt, en rechts niet.

Maar waarom inspireert het eens zo populaire paternalisme van links nog zo weinig?

Braken er in augustus 2011 in de grote Britse steden ‘protesten’ uit, of was er sprake van ordinaire ‘plunderingen’? Dat hangt af van je politieke voorkeur. De linkse Labour-leider Ed Milliband verklaarde dat het geweld een symptoom was van structurele maatschappelijke problemen zoals als armoede en ongelijkheid. De rechtse premier Cameron zag enkel massaal proletarisch winkelen door ‘tuig van de richel’.

Welke visie ook de juiste is, een ding is zeker: de plunderende menigte – die niet bepaald oogde als een lompenproletariaat en zich bovendien niet met broden maar spelcomputers uit de voeten maakte – bracht een groot pr-technisch mankement van links aan het licht. Speculeren over de maatschappelijke oorzaken van geweld, hoe sociologisch verantwoord dat ook is, terwijl de bakstenen nog door de lucht vliegen, klinkt al gauw als het zoeken naar excuses. Het is imagotechnisch onhandig wanneer iedereen een slachtoffer van de omstandigheden is.

Dat dit ook in Nederland geldt, bleek uit de reacties op door Job Cohen uitgesproken Kerdijklezing van 18 november vorig jaar. Nederland is een minder ongelijke maatschappij dan de Britse en er wordt vooralsnog niet geplunderd, maar ook hier kan de politieke analyse van links niet (meer) op grote geestdrift rekenen. In zijn ‘voetnoot’ in de Volkskrant spreekt Arnon Grunberg zelfs over het ‘miserabilisme’ van Cohen’s lezing. Cohen is niet positief genoeg, hij ‘verheerlijkt ellende’. Grunberg wenst geïnspireerd te worden.

In de Kerdijklezing constateert Cohen dat Nederland een meritocratische samenleving is geworden. Dat wil zeggen dat iedereen met iedereen concurreert en de beste mensen vanzelf boven komen drijven. Over de voordelen van een meritocratie zijn links en recht het inmiddels eens. Rechts vindt nu dat deze meritocratie voltooid is: iedereen die slim genoeg is kan bijvoorbeeld naar de universiteit: er zijn geen formele barrières meer die succes in de weg staan.

Maar wacht eens even, zegt Cohen, in theorie mag dit wel kloppen, maar laten we niet vergeten dat in de praktijk sommigen sneller boven komen drijven dan anderen. Ook al zijn alle formele barrières geslecht, het valt niet te loochenen dat kinderen wier ouders ook gestudeerd hebben doorgaans academisch succesvoller zijn dan kinderen wier ouders nog nooit een boek gelezen hebben.

De oplossing van Cohen is de kinderen van ouders zonder boekenkast een ‘duwtje in de rug’ te geven. Om van ‘papieren kansen’ echte kansen te maken moet de overheid paternalistisch worden, dat wil zeggen verregaand ingrijpen in het leven van burgers. Het ‘recht om te rotten’ – niet mee te doen aan de maatschappij – wordt de burger, of in ieder geval het opgroeiend kind, daarmee ontzegd.

„Als ouders hun plicht verzuimen is de staat bevoegd om in de plaats te treden van het vaderlijke gezag”, stelt Cohen. Op straat hangen is er niet meer bij. Als Jan-Willem en Claire op de naschoolse huiswerkschool zitten en ’s avonds voor het slapen nog eens overhoord worden door eerzuchtige ouders, dan moet de rest van Nederland er ook aan geloven. Door weekendscholen, bijlessen en familiecoaches te verplichten, wordt de meritocratie pas echt meritocratisch.

Deze visie op materiële ongelijkheid en de rol van de staat staat tegenover de rechtse ‘eigen verantwoordelijkheid’ van de burger. Het morele appèl van Marja van Bijsterveldt (minister van Onderwijs, CDA), die toevallig kort na de Kerdijklezing ouders opriep tot meer betrokkenheid bij de scholing van hun kinderen, illustreert dit. ‘De verantwoordelijkheid voor een goede schoolontwikkeling mogen en kunnen ouders niet alleen bij het onderwijs neerleggen’, schreef Van Bijsterveldt in een brief aan de Tweede Kamer.

Haar oproep staat haaks op de oplossing van Cohen omdat ze de rol van de staat wil verkleinen en de verantwoordelijkheid van ouders vergroten. De oproep klinkt misschien paternalistisch, maar verschilt met Cohen’s paternalisme omdat de oplossing van Van Bijsterveldt uiteindelijk vrijblijvend is. Als ouders zich door haar oproep niet aangesproken voelen, of hun kinderen niet kunnen overhoren omdat ze zelf het Nederlands niet goed beheersen, dan hebben die kinderen domweg pech.

Ook de reactie van Frits Bolkestein in NRC Handelsblad illustreert het blinde optimisme van rechts. Paternalisme is onder andere overbodig, schrijft Bolkestein, omdat zijn overgrootvader, een ‘melkslijter’ die in een kelder woonde die ‘na iedere regenbui onderliep’, twee zoons heeft gekregen die het zonder paternalisme heel ver geschopt hebben. Bolkesteins argument is als dat van de verstokte roker, die na overtuigend bewijs dat roken schadelijk is voor de gezondheid, blijft herhalen dat zijn opa stokoud is geworden ‘op een pakje per dag’. Wetenschappelijk gezien een waardeloos argument, maar wel inspirerend.

We moeten concluderen dat Cohen’s analyse – dat armoede en achterstand in grote mate gedetermineerd wordt door omgevingsfactoren – misschien wel klopt, maar niet opgewekt genoeg klinkt. En de oplossing voor – een paternalistisch overheid – lijkt dan ineens ook disproportioneel en zwaar op de hand.

Waarom verkiezen we een blind optimisme over onze eigen mogelijkheden boven de, wat mij betreft, veel nauwkeurigere analyse van Cohen?

Sinds Copernicus de aarde uit het centrum van het universum verdreef, werd het er alsmaar minder gezellig op. Charles Darwin reduceerde ons tot een soort geavanceerde aap, Sigmund Freud zette vraagtekens bij onze nobele motieven door de mens af te schilderen als een geile speelbal op een zee van driften en angsten. Zo ging het de eenentwintigste eeuw nog even verder: neurologen, biologen en filosofen hakten met plezier in op de fictie dat wij regie hebben over ons eigen leven.

Als we inmiddels de waarheid onder ogen zien, kunnen we geen kant meer op: de vrije wil, de eigen verantwoordelijkheid is van alle kanten omsingeld door de wetenschap. De moderne mens is van geboorte tot dood te herleiden tot genen, opvoeding en maatschappij.

En toen kwam Cohen langs om dit wereldbeeld te bevestigen. Maar dat was niet de bedoeling van de politiek.

De politicus moet ons een fata morgana voorspiegelen waar we heen willen lopen – niet de koude sociologische waarheid op tafel leggen.

Wat rechts beter begrepen heeft, is dat het domein van de politiek niet dezelfde logica heeft als de wetenschap. Wij moeten ons de politiek namelijk voorstellen als een zelfhulpboek dat iedereen belooft rijk te maken – mits je hard genoeg werkt – of als een Hollywoodfilm waar de eenling ondanks alle tegenslagen in zijn missie slaagt. Met zulke onwaarschijnlijke succesverhalen willen we ons wel identificeren. We willen helemaal niet horen dat de Engelse relschoppers of de orks uit Lord of the Rings een slechte jeugd hebben gehad. Orks en relschoppers dienen verdelgd, of ten minste moreel veroordeeld te worden.

Wij willen niet dat de politiek de werkelijkheid correct beschrijft, maar ons inspireert ondanks onze determinatie door omgevingsfactoren. Wij moeten gered worden uit de koude klauwen van de wetenschap.

We moeten ons derhalve de politiek voorstellen als een leverancier van plezierige ficties. Dat een Engelse relschopper door een slechte jeugd tot plundering overgaat, of dat een werkeloze in Nederland door zijn genetische aanleg thuis zit, zijn geen plezierige ficties.

Ik ben het met Cohen eens dat de meritocratie in Nederland nog lang niet voltooid is. Het moreel appèl van rechts kan inspireren en aanzetten tot handelen, maar blijft vrijblijvend. Als wij de rellen in Engeland bezien is de vraag gerechtvaardigd of wij ons een dergelijke vrijblijvendheid jegens de minder kansrijken kunnen blijven permitteren. De paradoxale oplossing moet gezocht worden in het paternalistische beleid van links en het morele appèl van rechts.

Pepijn Vloemans (27) studeerde filosofie en internationaal milieurecht.