Geschiedenis laat zich niet vastleggen door politici

Hongarije, Turkije en Frankrijk, en ook de PVV, willen bij wet vastleggen hoe de geschiedenis is verlopen. Dit is een bijzonder onverstandig idee, betoogt Elsbeth Etty.

Nadat ik mezelf van de zomer na sluitingstijd een keer per ongeluk had ingesloten in de Koninklijke Bibliotheek (KB) in Den Haag, en pas op het nippertje was bevrijd, dacht ik aan de film Russian Ark van Aleksandr Sokoerov, over een Franse aristocraat die ’s nachts door de verlaten zalen van de Hermitage in Sint-Petersburg dwaalt en virtuele ontmoetingen heeft met allerlei figuren uit de Russische geschiedenis. Zoiets had ik, als ik niet zo dom was geweest me te laten bevrijden, ook kunnen beleven tussen de topstukken van de KB en het Nationaal Archief. Die exposeerden op dat moment het originele exemplaar van het verdrag van De Vrede van Munster uit 1648, het geboortebewijs van Nederland. In de KB berusten ook het handschrift van Jacob van Maerlants Der naturen bloeme, uit de dertiende eeuw, het handschrift van de Beatrijs, uit 1374, en de ingekleurde gravures van Maria Sibylla Merian.

Het is een dergelijk „onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het zuiverste kunstgenot” dat historicus Johan Huizinga de historische sensatie noemde. De musea, bibliotheken en archieven beheren ons erfgoed, wij kunnen er volop genieten en er onderzoek doen naar alles wat ons hartje begeert, zonder enige van bovenaf opgelegde visie. Wel even iets anders dan het op 1 januari definitief gesneuvelde Nationaal Historisch Museum, dat in de woorden van initiatiefnemer en voormalig SP-voorman Jan Marijnissen was bedoeld om een einde te maken aan „de hedendaagse verwarring over onze morele, culturele en politieke identiteit”.

Het idee voor dat Nationaal Historisch Museum was gebaseerd op de misvatting dat de vaderlandse geschiedenis ons een kant en klare, doorgebakken identiteit verschaft. Deze veronderstelling brengt met zich mee dat instellingen die ons erfgoed beheren ook de opdracht hebben een officiële interpretatie van de geschiedenis en de cultuur te leveren, waar ik mordicus tegen zou zijn. Ik ben het dan ook oneens met Bas Heijne, die het afblazen van het Nationaal Historisch Museum op 3 januari op deze pagina’s betreurde als uiting van „ons onvermogen om tot een gelijkluidende visie te komen en de onmacht om besluitvorming om te zetten in daadkracht”.

Een „gelijkluidende visie” waarop? Op „onze” geschiedenis? Daar moet je toch niet aan denken, want daarvoor is inderdaad zoiets als daadkrachtige politieke besluitvorming nodig over de correcte, nationale, interpretaties. Voor je het weet heb je dan te maken met geschiedschrijving van staatswege. Dat is een geijkt instrument van elke dictatuur. Een democratie mag er zich niet aan bezondigen. In een democratie zou een ‘nationale’ interpretatie van de geschiedenis namelijk in overeenstemming moeten zijn met de ideologie van een parlementaire meerderheid. Maar de geschiedenis kan niet democratisch worden vastgesteld – verkiezingen geven geen antwoord op historische vragen. Erger: een door de staat gecodificeerde visie op de geschiedenis is een stap naar een staatsideologie en dus naar een dictatuur.

Kijk naar Hongarije, waar de geschiedenis op dit moment – opnieuw – per wet wordt geschreven. Het opleggen van historische interpretaties door de wetgever is altijd instrumenteel, het staat nooit in dienst van de historische waarheid, maar altijd in dienst van een of ander ‘nationaal belang’. Ik hoef maar te wijzen op het leerstuk van de Turkse overheid dat er in 1915 geen genocide is gepleegd op de Armeniërs. Omgekeerd is in Frankrijk vorige maand een ‘herinneringswet’ aangenomen die genocideontkenning strafbaar stelt, waarop Turkije de betrekkingen met Frankrijk heeft verbroken. Bij ons wil de de ChristenUnie een wetsvoorstel indienen dat eveneens genocideontkenning strafbaar stelt.

Het is niet de taak van de overheid (zeker niet van een democratische) om over de geschiedenis te oordelen, omdat geen enkele interpretatie als definitief kan worden vastgelegd en iedere generatie recht heeft op haar eigen interpretaties. Maar hoe zit het dan met excuses voor fouten of zelfs misdaden uit het verleden? Die kunnen volgens mij alleen betrekking hebben op fouten en misdaden van of namens de staat, of in ieder geval met macht beklede instanties zélf. Het is iets anders dat een staat conclusies trekt uit de wijze waarop hij in het verleden zijn macht heeft gebruikt. En daar voor het heden consequenties aan verbindt. De schadevergoeding aan de nabestaanden van de oorlogsmisdrijven in Indië is geen vorm van staatsgeschiedschrijving, maar een eenvoudige daad van rechtvaardigheid.

Niemand is aansprakelijk voor wat een ander heeft gedaan of nagelaten. Geert Wilders is bijvoorbeeld niet verantwoordelijk voor de massamoorden van zijn Noorse bewonderaar Anders Behring Breivik, al zouden excuses aan de Noorse bevolking voor het gedeelde gedachtegoed dat Breivik inspireerde, hem niet misstaan.

De PVV is bij uitstek een partij die haar eigen visie op de geschiedenis als politiek instrument gebruikt. In haar verkiezingsprogramma staat dat wij op 4 en 5 mei de bevrijding van het „(nationaal) socialisme” herdenken. Het parlement zou dus moeten uitspreken dat de nazi’s en de socialisten één pot nat zijn. Maar waarschuwingen op grond van historische vergelijkingen tegen discriminatie van godsdienstige en etnische minderheden beschouwt de partij van Wilders juist weer als demonisering. Is het dan geen gotspe dat uitgerekend de PVV excuses eist voor de „slappe houding” inzake de Jodenvervolging van de tijdens de Duitse bezetting in Londense ballingschap verkerende regering van koningin Wilhelmina en minister-president Gerbrandy?

Geschiedschrijving is onvermijdelijk politiek en ideologisch gekleurd, ook al streven historici naar de grootst mogelijke objectiviteit. Geen enkele interpretatie kan aanspraak maken op onaantastbaarheid. Juist daarom moet de overheid zich er verre van houden.

Kan het, nu het Nationaal Historisch Museum is mislukt, dus nu eindelijk eens afgelopen zijn met het gejengel over de nationale identiteit? Het is een irrationeel idee dat onze interpretatie en opvattingen beoordeeld zouden moeten worden aan de hand van een vermeend nationaal gevoel in plaats van op grond van hun eigen merites. Laat staan dat het historisch erfgoed een onveranderlijke identiteit kan representeren. Het erfgoed moet gekoesterd worden, zorgvuldig beheerd, toegankelijker gemaakt – zoals de KB doet met een grootscheeps digitaliseringsproject. Niet met het doel een ‘gelijkluidende visie’ op de geschiedenis aan het publiek op te dringen, maar om iedereen de gelegenheid te geven die visie, dwalend door het culturele erfgoed, alsof hij zichzelf had ingesloten in de verlaten KB, zelf te ontwikkelen.

Elsbeth Etty is redacteur van NRC Handelsblad. Dit is een bekorte versie van een lezing die zij vanmiddag hield op de nieuwjaarsbijeenkomst voor de medewerkers van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag.