Chinees ontvangstcomité op Mars

Toen China eind december een ambitieus plan bekendmaakte voor reizen naar de maan en andere activiteiten in de ruimte, werd er in Amerika een beetje nerveus op gereageerd. Gaan de Chinezen ons nu ook al in de ruimte naar de kroon steken?

Meteen werd de vergelijking gemaakt met de space race die in de Koude Oorlog woedde tussen de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie. De komende jaren wil China onder meer nieuwe raketten en robotwagentjes voor op de maan ontwikkelen, een ruimtelaboratorium lanceren, en op termijn ook een bemande vlucht naar de maan uitvoeren. En dat terwijl de Amerikanen hun ruimtevaartprogramma net aan het inkrimpen zijn.

Vorig jaar sprak Obama zich weliswaar uit voor een missie naar Mars omstreeks 2030. Maar, schreef een Amerikaanse krant mismoedig, als dat er ooit van komt zullen onze astronauten op de rode planeet vast worden opgewacht door een Chinees ontvangstcomité.

Zo’n vaart zal het niet lopen. China werkt wel gestaag aan zijn ruimteprogramma, en heeft afgelopen jaar voor het eerst meer satellieten in een baan om de aarde gebracht dan de VS. Maar de Amerikanen hebben in de ruimte nog altijd een grote voorsprong. En de Chinese plannen voor een man op de maan zijn zó vaag dat er niet eens een streefdatum voor is genoemd. Van een retourtje Mars is in Peking al helemaal geen sprake.

Toch is de nieuwe run op de ruimte wel een probleem. Het wordt er steeds drukker. China is niet het enige Aziatische land met ambities buiten de dampkring. Ook Japan, India en Zuid-Korea hebben een serieus ruimteprogramma, terwijl een tiental andere landen in de regio op kleinere schaal actief is.

In Azië heerst daardoor een rivaliteit waarin militaire toepassingen de overhand dreigen te krijgen, waarschuwt de Amerikaan James Clay Motz in zijn onlangs verschenen boek Asia’s Space Race. China verzekert dat het met zijn ruimteprogramma louter vreedzame bedoelingen heeft. En samen met de Russen pleiten de Chinezen al jaren voor een verdrag tegen militarisering van de ruimte. Maar de scheiding tussen civiel en militair is in de ruimte steeds moeilijker vol te houden.

Het Chinese ruimteprogramma, waarvan het leger de drijvende kracht is, heeft onmiskenbaar militaire betekenis. Al was het maar vanwege de forse uitbreiding van het aantal satellieten waar het Chinese plan in voorziet. Die komt niet alleen ten goede aan civiele sectoren – zoals telefonie, internet en navigatie van scheepvaart en wegverkeer. Ook de strijdkrachten profiteren ervan.

Het Amerikaanse leger kan al decennia niet buiten zijn satellieten (bijvoorbeeld voor het op koers houden van kruisraketten, het communiceren met onbemande vliegtuigjes en het verzamelen van allerlei gevoelige informatie). En omdat ze ook voor de burgersamenleving onmisbaar zijn geworden, heeft de regering-Bush vastgelegd dat de Amerikaanse belangen in de ruimte evenveel bescherming verdienen als het nationale grondgebied. Kom niet aan onze satellieten, was de boodschap, wat zich in de ruimte afspeelt is direct verbonden met de nationale veiligheid.

Dat zal in beginsel niet anders zijn voor de maar liefst zestig andere landen die satellieten in de ruimte hebben. Ze zijn er van afhankelijk. Dat maakte ze ook kwetsbaar. Het uitvallen van satellieten, door een technische storing of een vijandelijke actie, kan een samenleving danig ontwrichten.

Toen China in 2007 een eigen, oude weersatelliet met een raket neerhaalde, was in één klap duidelijk dat dit ook met een satelliet van een ander land zou kunnen gebeuren. India reageerde met de aankondiging dat het zelf ook werkt aan antisatellietraketten. En de Amerikanen bewezen in 2008 dat ze zelfs vanaf volle zee met één welgemikt schot een satelliet kapot konden schieten, in dit geval een eigen, afgedankte spionagesatelliet.

In de jaren zeventig zeiden de Amerikanen en de Sovjet-Unie dat ze elkaars militaire satellieten met rust zouden laten – Koude Oorlog of niet. Nu zoveel méér landen over satellieten beschikken, en de wereld er nauwelijks nog zonder kan, zouden zulke afspraken op veel grotere schaal gemaakt moeten worden.

Dat zal ongetwijfeld lange en moeizame onderhandelingen vergen. Maar een eerste, praktische stap in die richting is minder ingewikkeld: spreek gedragsnormen in de ruimte af om te voorkomen dat de hoeveelheid ruimteafval verder groeit. Dat lijkt misschien overbodige luxe of misplaatste vlijt, maar is het niet. Oude batterijen, brokstukken van kapotte installaties en allerhande met grote snelheid rondzwevend afval van menselijk verblijf in de ruimte, kan fatale schade toebrengen aan satellieten en al dan niet bemande ruimteschepen. Het is onverantwoordelijk dat probleem nog langer te negeren.

De Europese Unie heeft al een gedragscode voor activiteiten in de ruimte, met name om het probleem van het ruimteafval te bestrijden. De Verenigde Staten overwegen zich bij die code aan te sluiten (zoals Australië, Canada en Japan al hebben gedaan), of er op voort te bouwen en internationale steun te zoeken voor een eigen gedragscode.

Veel ruimteprogramma’s zijn gebaseerd op gevoelens van nationale trots en prestige. Dat kan internationale samenwerking in de weg staan. Maar naarmate er in de ruimte meer activiteit is, en ook meer op het spel staat, wordt de onmisbaarheid van regulering duidelijker. Het is in het belang van alle landen.