Volksfeest

Mag het wat kosten? EenVandaag onderzocht wat de duurste gemeentelijke nieuwjaarsreceptie was geweest, en kwam weer bij Den Haag uit: 125.000 euro. Dat was een stuk minder dan vorig jaar, toen het nog anderhalve ton kostte. Het is namelijk crisis.

De verslaggever ter plekke had, een tikje tendentieus, VVD’ers voor de camera gesleept bij wie het woord volgevreten enigszins tekortschiet. Verrassing: Ton Elias en Frits Huffnagel zaten er niet mee, met dat bedrag. Net als VVD-burgemeester Van Aartsen. Het ging immers om een volksfeest. Iedere Hagenees was welkom.

Buiten in de motregen stond een kniezende PVV’er. De beweging van Wilders, die bij de laatste gemeenteraadsverkiezingen met acht zetels in de Haagse raad kwam (er zijn er nog zes over), boycotte de receptie ook dit jaar, omdat ze het „elitaire borstklopperij” vindt. Toen de verslaggever hem voorwierp dat het om een volksfeest ging, ketste de man terug dat Den Haag meer inwoners telde dan de tweeduizend feestgangers. „Ga de straat op om met de mensen te praten. Dat kost niets.”

Had hij gelijk? Nogal komisch is de manier waarop de bestuurlijke elite denkt de tijdgeest te slim af te zijn: als de elite onder vuur ligt, maken we gewoon voor een paar uur iedereen elitair. Kom er maar bij! Verder blijft alles intact, hapje, drankje, champagne – alleen bij het netwerken moet je een beetje handig langs volkse rolstoelers en aangeschoten bejaarden manoeuvreren. Voor een man als Van Aartsen is een volkfeest gewoon een uitgebreide receptie.

Mij lijkt dat veelzeggend. Het is crisis, er bestaat een groot wantrouwen tegen de politiek, in een stad als Den Haag is steeds minder sociale cohesie – in dat licht maakt dat peperdure „volksfeest” een even naïeve als zelfgenoegzame indruk. Sociale cohesie versterk je niet door het volk zich een paar uur lang gratis vol te laten gieten in het stadhuis.

Dezelfde blindheid tref je ook aan op andere terreinen. Een paar jaar geleden werd door het ministerie van OCW de Johannes Vermeer Prijs ingesteld, een nieuwe „staatsprijs voor de kunsten”. Het gaat om een bedrag van een ton – met de organisatiekosten erbij zit je jaarlijks al snel op de prijs van een Haagse nieuwjaarsreceptie.

Dit jaar kreeg fotograaf Erwin Olaf hem. Het jaar ervoor – al sla je me dood.

De gedachte erachter moet parallel gelopen hebben aan die van de Haagse receptie nieuwe stijl: het draagvlak voor de kunsten in Nederland wordt kleiner, dus gooien we er jaarlijks een ton tegenaan, dan komt die uitstraling vanzelf wel weer terug.

De Johannes Vermeer Prijs – als u er van gehoord heeft, dan werkt u voor het ministerie. Of u heeft hem zelf gewonnen. Er wordt alleen plichtmatig over geschreven, zoals tegenwoordig over bijna alle prijzen. De Johannes Vermeer Prijs versterkt het elite-idee van de kunsten alleen maar, zoals de Haagse receptie het idee van een champagnedrinkende elite alleen maar versterkt.

Men wil iets nieuws, maar men zit hopeloos vast in een achterhaald stramien. Men mikt op brede aandacht, maar uiteindelijk raakt men steeds meer van de samenleving geïsoleerd. Ik gun Olaf zijn prijs, maar behalve hijzelf heeft niemand er wat aan.

Zo snel mogelijk afschaffen. Staatssecretaris Halbe Zijlstra is dat vast en zeker ook van plan – alleen zal hij het vrijgekomen geld niet gebruiken om burgers meer in aanraking te laten komen met kunst en cultuur. Net zoals de Haagse PVV het geld dat bespaard kan worden op die kostbare nieuwjaarsreceptie niet zal willen gebruiken voor het werkelijk bevorderen van sociale cohesie tussen bevolkingsgroepen in Den Haag. Dat maakt de kritiek niet minder raak.

Een receptie, een prijsuitreiking – het zijn bij uitstek institutionele manieren van omgang, voortkomend uit een besloten, traditionele cultuur die tegenwoordig aan alle kanten wordt uitgedaagd, echt niet alleen door de PVV. Het zijn antieke doekjes voor het bloeden, een middel om het gebrek aan werkelijke betrokkenheid te maskeren. Doe er wat aan, verzin iets dat nieuw is – voor het te laat is.