Spierballen en blingbling

Met 564 pk is de CTS-V Coupé de gespierdste Cadillac ooit. Maar de concurrenten zijn ook sterk.

Eind 2010 kreeg de Europese Cadillac-organisatie twee gevoelige tikken te verwerken. Terwijl het merk net een beetje profiel begon te krijgen als in elk geval een redelijk alternatief voor merken als Audi en BMW, ging eerst de Europese importeur failliet. Kort daarna volgde ook het nooit voor mogelijk gehouden faillissement van moederbedrijf General Motors. Inmiddels is GM weer overeind gekrabbeld en is er ook weer een Europese Cadillac-poot, die echter duchtig is afgeslankt. Met veertig Europese dealers (waarvan drie in Nederland) probeert Cadillac in de oude wereld op de markt te blijven.

Probleem bij dat streven is dat het volumemodel van Cadillac, de CTS, niet met een dieselmotor te krijgen is. Dat is in de klasse waarin de auto opereert tegenwoordig een noodzaak. Van de CTS is inmiddels ook een coupé op de markt gekomen en met de topversie van die auto was ik een paar dagen op pad. De Cadillac CTS-V 6.2 V8 Supercharged, zoals het apparaat voluit heet, heeft een indrukwekkende, geheel uit aluminium opgetrokken achtcilinder compressormotor, die met een inhoud van maar liefst 6,2 liter recht doet aan het adagium van Amerikaanse motorbouwers: ‘There’s no substitute for cubic inches’. Het is, zegt Cadillac vol trots, de sterkste motor die het merk ooit heeft gebouwd: 564 pk en een koppel van maar liefst 735 Nm.

Ik kreeg de Caddy vreemd genoeg mee met een handgeschakelde uitvoering en voor die handbak geldt hetzelfde devies als voor een fles wijn van het huis Canei: niet aan beginnen. Sowieso is het een hele toer om zo’n beul van een motor – met een trekkracht die normaliter aan diesellocomotieven wordt toegeschreven – via het koppelingspedaal te moeten temmen, dus is het een raadsel waarom Cadillac de CTS-V überhaupt met een handbak aanbiedt. Vrijwel alle Amerikaanse auto’s – en zeker die uit het luxere segment – hebben een automaat. En die is nog goedkoper ook: voor 149.778 euro heeft u de CTS-V met een weliswaar wat conventionele zes-trapsautomaat. Altijd doen, een handbak in een 6,2 liter V8 slaat nergens op. De topsnelheid is in de automaat weliswaar lager (‘slechts’ 282 in plaats van 308 km/uur), maar alle snelheden boven de 250 zijn van louter academisch belang.

Batmobile

Opvallen doe je zeker met de CTS-V. Hij ziet er indrukwekkend uit, met een dreigende neus die doet denken aan de batmobile en met een korte achterkant, waar centraal twee uitlaatpijpen zijn gemonteerd met elk de diameter van een gemiddelde lantarenpaal. In het interieur ontbreekt het de inzittenden aan weinig, maar het zou allemaal wel wat minder blingbling mogen. De cockpit is een kakofonie van knoppen, lichtjes en een enorm televisiescherm, dat extra uitklapt als er achteruit wordt gereden of als de navigatie aanstaat. Een groeiende rij rode ledlampjes volgt de naald van de snelheidsmeter in zijn klim. Leuk, maar welk nut dient dat? Daar staat tegenover dat de Cadillac een erg lekker, met suède bekleed stuurwiel heeft en prima zittende stoelen, die optimaal instelbaar zijn. Ze gaan wel heel erg langzaam vooruit, maar dat is vermoedelijk bedoeld als ontmoedigingsbeleid voor mensen die de achterbank willen bezoeken. Ook daarvoor geldt: niet aan beginnen, tenzij jonger dan tien jaar. Het is wel even wennen dat de beide portieren geen handgrepen hebben; je moet op een knop drukken om de deur te openen.

Alles bij elkaar is de conclusie dat de Cadillac CTS-V weliswaar indrukwekkende prestaties biedt, maar dat gebruiksgemak en vooral de enorm hoge prijs nogal tegenvallen. Aan dat gebruiksgemak valt overigens iets te doen: er is ook een CTS Station Wagon met deze motor. Die is een verwaarloosbare eentiende van een seconde langzamer in de sprint naar 100 km/h (hij doet er 4,1 seconden over) maar biedt beduidend meer binnenruimte en praktisch nut. Al is ook die supersnelle combi nogal prijzig: 164.471 euro. Een stroef bedrag. Zeker voor wie beseft dat de nieuwe BMW M5 132.250 euro kost.