'Slecht proza' kostte Tolkien Nobelprijs

J.R.R. Tolkien schreef „slecht proza” en het werk van Alberto Moravia leed onder monotonie. Nee, dan de „epische kracht” van het werk van de Joegoslavische auteur Ivo Andric, auteur van onder meer De brug over de Drina.

U kent Andric niet? Hij kreeg anders wel de Nobelprijs voor Literatuur in 1961. Gepasseerd werden, zo blijkt uit de pas geopende Nobelprijs-archieven uit dat jaar, behalve Tolkien en Moravia ook de schrijvers Lawrence Durrell en E.M. Forster en de dichter Robert Frost. Graham Greene eindigde in 1961 als tweede, Karen Blixen als derde. Greene gold decennialang als gedoodverfde kandidaat, maar zou de prijs nooit krijgen.

Tot het moment dat jaarlijks in oktober die witte deur opengaat en de woordvoerder van de Nobel Academie de verlossende naam noemt, komt er zelden iets naar buiten. Notities van de beslissende sessie worden niet gemaakt, maar alles daarvoor wordt wel vastgelegd. De voor het leven benoemde leden van de Nobel Academie dragen kandidaten voor en voormalige winnaars en academici wordt verzocht dit te doen. Een Zweeds journalist heeft nu na vijftig jaar de aantekeningen uit 1961 in de Nobel-bibliotheek in Stockholm ingezien en daarvan verslag gedaan in een Zweedse krant, de Sydsvenska Dagbladet.

De commentaren, opgetikt door Anders Österling, de secretaris van het comité, zijn onverbloemd. Het schrijven van Tolkien, die werd voorgedragen door zijn vriend en collega C.S. Lewis (van de Narnia-boeken), is bijvoorbeeld „in geen enkel opzicht van het hoogste kaliber”. De „monomane” erotische passages bij Lawrence Durrell lieten „een dubieuze nasmaak” achter. En Robert Frost werd terzijde geschoven wegens het „fundamentele bezwaar” van zijn „gevorderde leeftijd” – hij was toen 86. „Hij is een schaduw van zichzelf en lijdt onder verlies van geestelijke gezondheid”, aldus een genadeloze Österling. Het ouderdomscriterium is blijkens de bekroning van Doris Lessing (87) en Tomas Tranströmer (80) inmiddels niet meer van kracht.

Greene, die in 1961 A Burnt-Out Case publiceerde en een aantal van zijn beroemdste romans als The Quiet American en Our man in Havana al op zijn naam had, kon wel op Österlings goedkeuring rekenen, zij het onvoldoende. Österling omschreef Graham Greene als „een volwaardige kandidaat, en niet alleen omwille van het recente werk”.

Bij de keus voor Andric speelden ook andere dan literaire overwegingen mee, blijkt uit de aantekeningen van secretaris Österling: „zijn Bosnische Trilogie brengt voor de eerste keer de individualiteit van een volk en het lot van hun geschiedenis tot uiting”. In 1962 zou de keus op John Steinbeck vallen, die ook in 1961 al op de lijst stond. In januari 2013 weten we hoe die bekroning in zijn werk ging.