Orbán laat zich niet nog eens in de hoek drukken

Viktor Orbán belichaamde in 1989 het nieuwe Hongarije. Nu verwijten tegenstanders hem dat hij de democratie verkwanselt. Portret van een premier die een échte Hongaar wil zijn.

Zijn zelfvertrouwen lijkt hem nooit in de steek te laten. De Hongaarse premier Viktor Orbán hapert niet, aarzelt niet, schiet niet uit zijn slof. Onverstoorbaar bouwt hij door aan wat hij de Vierde Hongaarse Republiek noemt. Hooguit klonk hij minder triomfantelijk toen hij maandag in de Staatsopera in Boedapest de genodigden toesprak op het galafeest ter gelegenheid van het van kracht worden van de nieuwe Hongaarse grondwet.

Hij hief een glas champagne en sprak van „vernieuwing van de gemeenschap die we de Hongaarse natie noemen” en herstel van de Hongaarse staat. Met de nieuwe grondwet heeft die staat volgens Orbán een „fundament zo sterk als graniet” gekregen. Hij ziet het als de voltooiing van de anti-communistische revolutie die in 1989 begon en waarin hij zelf een hoofdrol speelde.

Maar de premier moet het feest via de achterdeur verlaten. De straten rondom het negentiende-eeuwse gebouw stonden vol met tienduizenden demonstranten die Orbán en zijn partijgenoten ervan beschuldigen het land in een dictatuur te veranderen. Een groep liberale dissidenten publiceerde diezelfde dag een brief waarin ze schrijven dat hun vroegere medestrijder Orbán de democratie verkwanselt.

Maar zoals zo vaak leek het alsof de kritiek van Orbán afgleed als water van een eend. Hij liet zich na de festiviteiten zoals op elke avond terugrijden naar Felcsút, het dorp zestig kilometer buiten de hoofdstad Boedapest waar hij in een bescheiden wit huis woont met zijn vrouw en vijf kinderen. In dorpen als Felcsút voelt hij zich gesterkt in zijn koers. Daar is het gemakkelijk te denken dat de liberale stadse elite niets beters te doen heeft dan moord en brand te schreeuwen over inperking van hun mogelijkheden tot inspraak en te heulen met buitenlandse bemoeials.

Met zijn kuif en krachtige kaaklijn is Orbán de zelfbenoemde vertegenwoordiger van het échte Hongarije, erfgenaam van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie, in een negentiende eeuw een reus. De aftrap van zijn politieke carrière was op 16 juni 1989, bij de herbegrafenis van Imre Nagý, de leider van de Hongaarse Opstand tegen de Russen in 1956. Orbán sprak de menigte toe, eiste vrije verkiezingen en terugtrekking van het Russische leger, en zei dat Hongarije die dag niet alleen een communist herbegroef, maar ook de toekomst van de Hongaarse jeugd.

Het was een van de meest revolutionaire momenten in een verder tamelijk gematigde omwenteling van communisme naar democratie en kapitalisme. De grote lijnen werden afgesproken in een Rondetafelconferentie. De ambitieuze rechtenstudent Orbán schoof daar namens de bond van jonge democraten aan met andere vertegenwoordigers van de nieuwe generatie Hongaren. Net als zij zocht hij steun in het buitenland in spijkerbroek en baard. Maar toen al viel hij op als serieus (kennissen uit die tijd zeggen ‘verbeten’) en ambitieus. Geen dromende dichter. Wel een sterke spreker, gedreven en besluitvaardig.

Op zijn hoofdrol in 1989 en de eerste democratische verkiezingen in 1990 volgden acht lange jaren in de oppositie. Calvinist Orbán, die in die periode drie keer vader werd en trouwde met de diepgelovige juriste Anikó Lévai, keek toe terwijl het landsbestuur werd gedomineerd door liberalen en socialisten.

De privatiseringen uit die tijd leidden tot nieuwe ongelijkheid, werkloosheid, teleurstelling, een wrokkig electoraat en een net zo gefrustreerde Orbán. De inhaalrace kwam toen hij zelf voor de eerste keer aan de macht kwam, in 1998. Dat lukte pas nadat hij nationalistische en populistische thema’s had omarmd, zoals Hongaars staatsburgerschap voor Hongaarse minderheden in buurlanden en de financieel onverantwoorde belofte pensioenen te verhogen.

Ook toen was de kritiek dat hij het parlement niet respecteerde – hij beperkte het aantal zittingen en kwam vaak niet opdagen om verantwoording af te leggen. En ook toen al werd hem verweten dat hij een autoritaire stijl had, vertrouwelingen (vaak vrienden uit zijn studententijd) op hoge posities benoemde en alleen ‘loyale’ media te woord stond. Voor buitenlandse journalisten had hij geen tijd. Wel liet hij volgen of ze positief over Hongarije schreven.

Het is waarschijnlijk een van zijn grote frustraties dat zijn eerste regeerperiode slechts een vierjarige onderbreking zou zijn van de macht van de socialisten. Na het eerste decennium democratie zakt het hervormingstempo in Hongarije in. De regering die hem opvolgde kreeg weinig meer voor elkaar. De staatsschuld groeide. Moeilijke maar noodzakelijke hervormingen zoals die van de veel te dure gezondheidszorg, kwamen niet door het parlement. Dat kwam overigens mede doordat de oppositie onder leiding van Orbán op een populistische manier weigerde mee te werken aan initiatieven van de socialisten.

In 2006 verloor hij de verkiezingen nipt. Dat jaar vormt een tweede markering in zijn leven: net als in 1989 stonden woedende massa’s, opgezweept door Orbán, voor het parlement. De frustratie bij conservatief en rechts Hongarije liep over. Woedende demonstranten botsten met de politie nadat beelden waren uitgelekt waarin de socialistische premier Ferenc Gyurcsány toegaf gelogen te hebben over de economische situatie in het land.

Vanaf dat moment was duidelijk dat Orbán de komende verkiezingen zou winnen. Zijn zelfvertrouwen groeide. Hij profileerde zich als man van het volk, die op het platteland zelf worsten maakt en in een leren jack loopt: in alles de tegenpool van de premier, een internationaal georiënteerde miljonair die heeft geprofiteerd van privatiseringen.

In 2008 noopten de staatsschuld en slechte vooruitzichten Hongarije om als eerste EU-land voor een steunpakket aan te kloppen bij het IMF, dat in ruil straffe bezuinigingen en hervormingen eist. Twee zware jaren later overtrof de overwinning van Orbán alle verwachtingen. Bijna 53 procent van de stemmers koos zijn partij. In het Hongaars kiessysteem vertaalde zich dat in tweederde van de zetels in het parlement, een absolute meerderheid, groot genoeg om de grondwet te wijzigen.

Die kans liet Orbán zich niet ontnemen. Nu hij – ruim twintig jaar na de eerste revolutie – zelf de macht heeft, is hij vastbesloten die te gebruiken en ervoor te zorgen dat de socialisten hem niet opnieuw naar de marge drukken.