'Niemand is untouchable'

Officier van justitie Koos Plooij vervolgt zware criminelen. Voor de rechtszaak begint, zoekt hij de verdachte altijd op. ‘Ik vertel ze dat ik tot het gaatje ga.’

Twee weken voor de lunchafspraak mailt officier van justitie Koos Plooij drie redenen waarom hij wil afspreken bij Zuidam. „Het is een restaurant in Haarlem, de stad waar de rechtbank de afgelopen jaren twee van mijn belangrijkste onderzoeken heeft beoordeeld. Holleeder in 2007 en Paarlberg in 2010.” Het restaurant ligt tussen het politiebureau, het huis van bewaring en de rechtbank. „De belangrijkste oriëntatiepunten in mijn dagelijkse werk.” En het ligt zo prachtig aan het water. „Vanouds heb ik met water een band.” Bijgevoegd een A4’tje met zijn cv en het favorietenlijstje (zie hiernaast) alvast keurig netjes ingevuld.

Genade. Je zult crimineel zijn en hém als officier treffen. De mannetjesputter, het ijskonijn, het bijtertje van het Landelijk Parket van het Openbaar Ministerie. Sinds 1998 doet hij de ‘zwacri’, de zware, georganiseerde criminaliteit. Koos Plooij (49) vervolgde de moordenaars van Pim Fortuyn en Theo van Gogh, de grote jongens uit de Amsterdamse onderwereld (Charles Zwolsman, Mink Kok, Willem Holleeder), en is nu bezig met de witte boorden uit de bovenwereld (zakenman Joep van den Nieuwenhuyzen, havenbaron Willem Scholten, vastgoedhandelaar Jan Dirk Paarlberg).

Je doet hem een groot plezier met de ingewikkelde klussen, zegt hij. Puzzelen noemt hij het, zo’n zaak uitpluizen. „Heb jij gedaan wat ik denk dat jij gedaan hebt en hoe ga ik dat bewijzen.” Maakt niet uit hoeveel tijd het hem kost, zijn adem is lang. Met de nasleep van de afpersingszaak tegen Holleeder is hij al zeven jaar bezig, de eerste anderhalf jaar meer dan fulltime. „Vaak verkassen zwacri-officieren na vier jaar. Vinden criminelen heerlijk, want de kennis en ervaring verkast mee.” Hij hoeft niet zo nodig iets anders. „Misschien is het een een vorm van zelfverwezenlijking? Elke volgende zaak nog ietsje ingewikkelder, nog complexer. Mezelf bewijzen dat ik dat ook kan.”

Voor een mannetjesputter ziet hij er nogal jongensachtig uit. Slank, wakkere ogen, rechtopstaand haar alsof hij zojuist tegen de Hollandse wind in heeft gefietst. Hij is met de dienstauto gekomen, een grauwgrijze Opel, en niet met zijn eigen helblauwe Saab. „Te opvallend om bij de rechtbank te parkeren.” Hij drinkt thee, spa en koffie, laat het koekje liggen. Zoals hij nu met mij praat, zegt hij, zo praat hij ook met de verdachten van grote strafzaken. „Even kennismaken voor de rechtszaak begint. Ik vertel ze wie ik ben en hoe ik werk; fair, maar ik ga wel tot het gaatje. Ik geef niet gauw op, maar ik speel geen spelletjes.” Hij lacht fijntjes: „De meesten waarderen dat. Soms hebben ze van hun advocaat namelijk iets anders over me gehoord.” Dat hij koste wat kost wil scoren, bijvoorbeeld. Of dat hij aan tunnelvisie lijdt en nogal creatief omgaat met verklaringen van criminelen, die in ruil strafvermindering krijgen. Over kroongetuigen stond tot 2004 niks in de wet, zegt Koos Plooij. Het Openbaar Ministerie moest, bedoelt hij, wel zelf de regels bedenken.

Gewone mensen

Terloops, zo voor en na de waldorfsalade, heeft hij al zeker twee keer gezegd dat criminelen ook maar gewone mensen zijn, dat elk mens gelijk is in zijn neigingen, en dat geen mens minder is dan de ander. Die grondhouding, zegt hij, heeft hij van huis uit meegekregen. Dan is het niet zo heel moeilijk om te raden dat dat ouderlijk huis van christelijke signatuur was. Hervormd gereformeerd, zegt Koos Plooij. Rechts van rechts, in de hoek van SGP-stemmers en lezers van De Waarheidsvriend, het tweewekelijkse krantje van de Gereformeerde Bond. Hij was de tweede van vier kinderen en de enige zoon. Zijn vader had een groothandel in veevoeder, zijn moeder een dierenspeciaalzaak. Een warm, beschermend nest. Van wat er wel en niet mocht van het geloof had hij niet zoveel last. Klassieke muziek mocht hij luisteren, popmuziek liever niet. „Maar ik had best een grote muziekcollectie. Mijn vader wist dat heus wel. Hij zei er niks van.” Hij strekt zijn armen in onschuld. „Als je er niks over zegt, is het er ook niet.”

Koos Plooij studeerde, trouwde, werd ouderling in de kerk. En hij werd officier van justitie. Zeker weet hij het niet, zegt hij, maar achteraf denkt hij dat die combinatie, van kerk en werk, onhoudbaar was. „Allerlei maatschappelijke verschijnselen als abortus en euthanasie werden gekleurd door de kerk. Ik had dat altijd aangenomen, tot ik zag dat het gewone leven heel anders kon zijn. Ik vond kerkelijke antwoorden op grote vragen onbevredigend. Tijdens mijn opleiding liep ik stage bij de echtscheidingskamer. Vaak dacht ik na afloop van zo’n zaak : hadden deze mensen echt samen moeten blijven? Dat kon toch niet de bedoeling zijn.”

Op z’n achtentwintigste scheidde Koos Plooij van de kerk, van zijn eerste vrouw, van zijn toenmalige vriendenkring. Hij heeft de bijbel vervangen door het wetboek, opper ik. Zo zou hij dat niet willen zeggen. Maar hij is toch degene die straffen mag verzinnen voor misdadigers? „Wat strafbaar is en wat niet, staat in de wet.” Maar hij vindt er vast zelf ook wat van. „Niet meer dan wat het gezond verstand ingeeft. Zo van: deze misdaad kan niet, dit is niet te accepteren. Verder niks. Ja, ik leid het onderzoek, het OM bepaalt wat aan de rechter wordt voorgelegd. Maar ik veroordeel niemand. Zijn sommige mensen intrinsiek slecht? Ik weet het niet.” Dat is wat hij heeft overgehouden aan zijn opvoeding: zijn oog voor het menselijke. „Onder gelijke omstandigheden was het mij misschien ook overkomen. Ik zie de tragedie.”

Had hij niet beter advocaat kunnen worden? Dan had hij de mens achter de misdadiger kunnen bijstaan. Plooij is het even geweest, als onderdeel van zijn opleiding. „Maar ik zou het niet permanent kunnen doen. In mijn hart ben ik geen advocaat.” Omdat? „Ik hou er geen goed gevoel aan over om vrijspraak te vragen voor iemand van wie ik weet dat hij niet onschuldig is.” Een wezenlijk verschil tussen een advocaat en een officier, zegt hij, is dat een advocaat niet aan waarheidsvinding doet. Aha, de waarheid. En hij kent die? „In de meeste gevallen lukt het me om de waarheid in grote lijnen op tafel te krijgen.” Een voorbeeld: de zaak Holleeder. Voor Plooij is het volstrekt helder dát Holleeder vastgoedhandelaar Willem Endstra afperste. Hoe ze van vrienden vijanden werden. „De ontwikkeling van subtiele naar grove afpersing is behoorlijk goed in de tijd te plaatsen.”

De waarheid is de optelsom van jaren onderzoek, en eindeloos veel getuigenverklaringen. Blijft over het motief. Waarom doet iemand wat hij doet? Plooij vraagt het zich af bij Jan Dirk Paarlberg, die het door Holleeder afgeperste geld zou hebben geïncasseerd. Waarom zou een keurige kasteelheer, zoon van een aardappelboer in zee gaan met criminelen?

Nou?

Dat antwoord geeft hij niet. „Dan moet ik op eieren lopen”, zegt hij. De rechtbank veroordeelde Paarlberg, maar zijn hoger beroep dient nog, in april en Plooij moet zijn requisitoir nog schrijven. Hij kan iets makkelijker praten over Endstra en de Heineken-ontvoerder. Endstra’s liquidatie in 2004 was voor justitie een blessing in disguise. „We konden zijn doopceel lichten, in de volle breedte huiszoekingen doen en iedereen verhoren.” Endstra, denkt Plooij, was een thrillseeker. „Naïef ook. Hij vond Holleeder best een geschikte vent. Wou hem een tweede kans geven.” En vergeet het geld niet. „Het punt is, als je bij zware jongens een beetje toehapt, zit je er helemaal in.”

Vuilnisman

Als je Koos Plooij hoort praten, of het nou over gedane zaken gaat of over grote onderzoeken waar hij nu mee bezig is, zie je dat hij er lol in heeft. Vraag hem eens waarom hij zo graag officier is. Fanatiek vindt hij het verkeerde woord, hij noemt zichzelf liever „zeer gedreven”. Hij is even stil, bedremmeld bijna, en zegt dat hij nu natuurlijk zou moeten zeggen dat het zo maatschappelijk relevant is wat hij doet. Dat hij criminaliteit inzichtelijk maakt en bestrijdt. Hij onderbreekt zichzelf om te zeggen dat het werk van een vuilnisman ook heel maatschappelijk nuttig is, al staat de vuilnis er volgende week gewoon wéér.

Criminaliteit werkt ondermijnend. „Witwassen vervuilt de economie. Ambtenaren worden gecorrumpeerd. Criminelen hebben facilitators nodig, die legale bedrijfsstructuren voor ze opzetten en ze de mazen van de wet wijzen. De bovenwereld raakt erbij betrokken. Het broeit en broeit. Er volgt een liquidatie. En nog één. Vroeger gebeurde dat ergens in het havengebied. Sinds eind jaren negentig gewoon midden op straat.”

Wat hem zo fascineert zijn de onderlinge verhoudingen tussen criminelen, de geldzucht, hun creativiteit om aan de opsporing te ontkomen. Hij mag er met zijn neus bovenop zitten. Alsof hij een jongensboek leeft. Heeft hij de film De Heineken Ontvoering gezien? En of, steengoeie film. Realistisch ook, vindt hij. De gelegenheidsbondjes die gesloten worden en weer uit elkaar spatten omdat iedereen met iedereen gebrouilleerd raakt. De kneuzigheid ook, soms. „Niet zelden begaan ze een stommiteit, waar wij ons voordeel mee kunnen doen.”

Wat hem opvalt is dat alle criminelen één eigenschap delen. Arrogantie. Hij ziet het bij de mannen die elkaar op klaarlichte dag proberen te liquideren, maar ook bij de ‘witte boorden’. „Ze wanen zich onaantastbaar. Niemand kan hen wat maken.” Mooi niet. Want daar is Koos Plooij, en die zegt: „Niemand is untouchable.”

Fijn, dat soort mannen eens flink op hun plek te zetten? Zoiets zal Koos Plooij nooit zeggen. Hij onderzoekt stilletjes de zaak, foetert als het tegenzit, spoelt met rockmuziek zijn hoofd weer schoon, is in z’n eentje blij met elk succesje dat hij boekt. En dan gaan de spotlights aan. De strafzaak komt voor de rechter en iedereen kijkt mee. „Op de zitting laat ik het huis zien dat ik heb gebouwd. De stevige fundamenten, de dikke muren waar anderen gaten in proberen te schieten.”

De nieuwste strategie van advocaten en verdachten: zwijgen. „Ze wachten rustig af tot het dossier klaar is en het Openbaar Ministerie in de rechtszaal de feiten presenteert. En dan verzinnen zij met dezelfde feiten een alternatief verhaal.” Moet je net Plooij hebben. Die is van de voorbereiding. Hij probeert nu van te voren alle scenario’s te bedenken waarmee de tegenpartij kan komen. „En die weerleg ik alvast.”