Lik op stuk

In Nederland komt nooit revolutie want daar mag je niet op het gras lopen, en dat doen de Nederlanders dan ook niet. Dat heeft Karl Marx gezegd, ik denk omstreeks 1847, misschien iets eerder. Hij was bezig aan het Communistisch Manifest. Arbeiders aller landen, verenigt u! U hebt niets te verliezen dan uw ketenen! Hier was in 1841 het boek van Everhardus Johannes Potgieter verschenen, Jan, Jannetje en hun jongste kind. Dat was Jan Salie, een ontzettend braaf, onvoorstelbaar gehoorzaam jongetje. Zo futloos dat hij het tot nationale figuur heeft gebracht, en zijn naam is in het spraakgebruik opgenomen. Of hebben we dat weer achter de rug? Weten de kindertjes van deze tijd nog wat een Jan Salie is? Doe eens een proef.

In ieder geval was hij door Potgieter bedoeld als een negatieve protestfiguur. In het midden van de negentiende eeuw was Nederland een suf land. In Engeland was de strijd van de arbeiders, de Luddieten, tegen de Industriële Revolutie al achter de rug. Ned Ludd, de leider, was in 1830 opgehangen. Hier moest die grote omwenteling nog beginnen. Jan Salie was de held van de nationale sloomheid. Er bestaat een schoolplaat van J.H. Isings, een hoek van de Leidsegracht omstreeks die tijd. Links op de voorgrond drie Jantjes Salie die braaf zitten te knikkeren. Verspreid over de hele voorstelling zijn er negen grote mensen, die vriendelijk met elkaar praten, elkaar goedkeurend aankijken, glimlachend nijver bezig zijn. Niet één die zijn middelvinger opsteekt.

Jammer dat we in deze tijd geen Isings hebben. U zult zeggen dat het tekort ruim gecompenseerd wordt door de televisie, YouTube, de sociale media en steeds meer enorme foto’s in de krant. Ja, aan plaatjes hebben we absoluut geen gebrek. Maar Isings had een radar voor het kenmerkende detail en een intuïtie voor het drama van het geheel. Daarom ben ik nieuwsgierig naar wat hij van de kenmerkende taferelen van onze tijd gemaakt zou hebben, natuurlijk nadat hem de tijd was gegund, met onze zeden en gewoonten vertrouwd te raken.

Dat op zichzelf zou nog een heel werk zijn. Ik weet nog goed dat de agent als de beste vriend van de brave burger werd aangeprezen. Dat was al niet geloofwaardig. Toen kwam de periode waarin je de agent als je oom moest beschouwen. Ik ken niemand die dat gedaan heeft. En toen is de afbraak begonnen, misschien met de televisieserie Swiebertje waarin veldwachter Bromsnor de gezagsmalloot is. Hoewel, collega Flipse in Dik Trom is ook niet iemand die louter door zijn verschijning de openbare orde afdwingt.

Wanneer is het vechten met agenten in de mode gekomen? In de jaren zestig, toen ze bij Het Lievertje op het Spui op motoren met zijspan verschenen, waarbij de bijrijder de lange lat hanteerde? Dit is de tijd waarin Nico Scheepmaker zijn onvergetelijke gedicht heeft geschreven. Al een klap met een lat van een smeris gehad? Variant op de reclame van kistenfabriek in Halfweg: Al een krat, kist of vat van de Phoenix gehad? Zo leef je voort. Maar ik ken geen Provo die het als een levensdoel zag, een agent te slaan. Ik geloof dat de definitieve kentering pas is gekomen in 1980, bij de kroning van prinses Beatrix tot vorstin. Geen woning, geen kroning was de leuze van de krakers. Toen is de stadsoorlog uitgebroken. Vechten met de politie had in die tijd een ideologische inslag.

Die tijd is voorbij. Na het einde van de Koude Oorlog hebben we de grote depolitisering van de jaren negentig gekregen. Uit die tijd kan ik me geen opzienbarende kloppartijen tussen politie en burgers herinneren. Het is weer begonnen aan het begin van de nieuwe eeuw, en de afgelopen paar jaar goed op gang gekomen. Vechten met de politie en ambulancepersoneel is gewoon geworden. Meer liefhebbers wapenen zich. Ze gaan naar een dancefeest of een risicowedstrijd met een mes op zak. Sire, de Stichting voor Ideële Reclame, laat een radiospotje horen waarin ambulancepersoneel met hulpverleners in oorlogstijd wordt vergeleken. Zal het helpen? Laten we het hopen, maar ik denk dat de vechtersbazen niet naar dergelijke aanmaningen luisteren.

En nu is het langzamerhand tot ons doorgedrongen dat de economische crisis nog lang niet voorbij is. Met nieuwe gevolgen voor de openbare orde wordt ernstig rekening gehouden, las ik in gratis krant Metro. ‘De straatetters lik op stuk geven.’ De agenten moeten worden getraind worden op ‘nieuwe strengheid’. Er zijn steeds meer mensen die zeggen: ‘Ik heb geen fuck met die pet van jou te maken.’ Dus: kogelwerend vest aan en snoeihard optreden. En daarnaast staat een column van Jaap Timmer, lector Veiligheid Hogeschool Windesheim. ‘Strenger optreden helpt vaak niet.’ Zo gaat de oude discussie verder.

Ik heb geen oplossing maar wel een voorstel tot een andere verklaring. Misdaad is net als vermaak, verdeling van inkomen en arbeid, de aard van het onderwijs, de mode, een uitdrukkingsvorm van de maatschappelijke toestand. Alles wordt in deze tijd directer, explicieter, schaamtelozer. Overtuig je er op een andere manier van, door eens zorgvuldig naar een reclameblok op de televisie te kijken. Had je zoiets in de tijd van Potgieter gezien, dan had je gedacht dat het gekkenhuis was losgebroken.

Terug naar de misdaad. Het valt niet goed te keuren, ik ben een ordelievend mens, zeg ik er voor alle zekerheid bij. Maar in dit opzicht doet de misdaad gewoon mee.