Ik werd opgevoed als ezel, anderen als pasja

Een zielsverhuizing, noemt Mohammed Benzakour de migratie van Marokko naar Nederland. De kloof in cultuur en taal karakteriseerde zijn opvoeding.

Ik ben opgevoed als ezel. Thuis moest ik mij ootmoedig opstellen, tegenspraak werd niet geduld, en als ik m’n hoefjes in het zand zette kreeg ik een schrobbering. Vaders woord was wet.

Kinderen in Marokko mogen kind zijn tot ongeveer de zuigelingenfase. Daarna draai je mee als volwassene – niks puberteit. Gemeten naar onze moderne opvoedkundige normen (in restaurants horen speciale kindermenu’s, in warenhuizen staan ballenbakken en in ziekenhuizen speelhoeken) zou de jeugd in Marokko beslist ongelukkig en verknipt opgroeien.

Het tegendeel is waar. Die verkniptheid en andere (sociaal-psychologisch gerelateerde) misstanden bij de Marokkaanse jeugd zien we vaker terug in Nederland dan in Marokko. Hoe kan dat?

Waar het Nederlandse kind een soort onaanraakbare pasja is geworden (het mag straffeloos in winkelcentra schreeuwen, dreinen, balken) hoorde ik maar al te vaak ‘Kom jij eens hier, schreeuwlelijke ezel!’ Pats! Terwijl ouders hier wordt geadviseerd om op democratische wijze met hun kroost te overleggen (niet boven maar naast het kind staan; nóóit de hand heffen; belonen in plaats van straffen), wordt in Marokkaanse gezinnen een stout kind niet pannenkoekloos naar zijn kamer gestuurd maar krijgt het stante pede een pak rammel. En niet alleen van pa en ma: iedereen mag meppen. De koranleraar heeft zijn twijgtakje, de buurman zijn vlakke hand, de visboer zijn schoen en de marktkoopman een rotte appel. Het kind is eigendom van de hele (dorpse) gemeenschap.

Dit pedagogische verschil heeft zo zijn weerslag: waar een zesjarige Hollandse knul met duim in de mond nog Lego stapelt, zit in Marokko datzelfde ventje al met baardbroeders in het theehuis te redetwisten over voedselprijzen, jeugdwerkeloosheid en overspel.

Meer dan een fysieke verplaatsing was de Marokkaanse Exodus een zielsverhuizing. De aankomst in Nederland was een neerstrijken op kaarsrecht geplaveide fietspaden langs betonnen bouwsels. Ik ging naar de basisschool, kreeg vriendjes, leerde de taal en haalde glanzende rapportcijfers. Intussen zette m’n moeder haar huishoudtaken voort – boenen, koken, karnen – en pufte vader iedere ochtend op z’n Puch Maxi naar Unimills: buffelen aan de lopende band. Er was even weinig gelegenheid als bereidheid zich sociaal te mengen in de Nederlandse samenleving. Alles was erop gericht het oude te behouden en geld op te potten met het oog op een zalige terugkeer. Integratie? Alleen als het gratis is. Integratiedeskundigen kregen ’t laat in de gaten: tussen de leefwereld van de eerste lichting migranten en die van de inheemse maatschappij gaapte een kosmische kloof.

Intussen deed zich, parallel aan deze kloof een andere, veel diepere scheiding gelden: die tussen vader en zijn veulentje.

Hoe vaak niet, als ik in plaats van de moskeegang m’n uren sleet met een boek riep vader: ‘Waar is die oen?!’ Of wanneer ik zaterdagavond laat thuiskwam: ‘Waar hing je uit ezel?!’ Of wanneer ik ook een kerstboom wilde: ‘Is dat ezeljong nou helemaal mesjogge?!’

Gaandeweg m’n adolescentie vervreemdde ik van vader en ontliep ik hem. Niettemin druppelde bij hem het besef door dat zonder de ruggensteun van zijn ezelsveulen het lastig overleven was in dit rare land met zijn gekmakende papierbergen, obsceniteiten en verkeersborden. En ik besefte dat ook. Langzaam maar zeker verschoven en wisselden de rollen om: voortaan moest het veulentje zijn baasje opvoeden.

Vader en moeder zijn beiden analfabeet cum laude en aangezien in de eerste drie decennia de verplichte inburgeringcursussen nog niet bestonden kreeg ik, zonder dat ik er naar solliciteerde, mijn eerste twee home jobs: administrateur en onderwijzer. Tegen wil en dank werd ik een specialist in het doorgronden, ordenen en uitleggen van de papierkluit. Al snel ressorteerde ook de hele agendatechnische rompslomp van medische en administratieve afspraken onder mijn beheer. Wanhopig ondernam ik pogingen vader het alfabet bij te brengen zodat hij zich tenminste voor de verplichte familiebezoeken kon redden op de rijkswegen naar Roosendaal en Venlo. Vergeefs, mijn vaders hoofd was niet gestaald voor het alfabet of de infrastructuur. Zijn hoofd en handen waren geknipt voor het sorteren van dozen palmolie, het plakken van fietsbanden, het turen onder motorkappen, het kweken van mintplantjes én voor het luidruchtige tafelen.

Dat betekende dat de meest basale kennis en kunde voor een waardige deelname aan deze snelle maatschappij op de schouders rustten van de kinderen. Dit lijkt goed en nobel, en dat was het ook, maar onderhuids etterde een klein huiselijk drama Want hoe toegewijd de kinderen zich ook van hun begeleidende en dienstige taken kweten, onvermijdelijk zag vader zijn natuurlijke gezag tanen, terwijl dat van de kinderen toenam: een bron van verwarring, onbegrip, frustratie en tomeloze vervreemding was geboren.

Intussen liep deze omgekeerde opvoeding tegen zijn natuurlijke, cultuurbepaalde grenzen aan. Twee voorbeelden: Marokkaans, in het bijzonder Berbers, kroost wordt opgevoed met de levenshouding: ‘Laat nooit het achterste van je tong zien’ en ‘vertrouw behalve God alleen jezelf’. Het is goed voorstelbaar welke sociale fricties deze aangeboren achterdocht oplevert in een cultuur waarin juist ‘openheid’ en ‘eerlijkheid’ worden geprezen en men a priori vertrekt vanuit ‘het goede van de mens’

Tel daarbij op: de traditionele schaamtecultuur, met zijn afkeer van de ‘platte en oversekste’ Nederlandse televisie c.q. maatschappij (let op de aanwas van de satellietschotel), in combinatie met een overmaat aan gevoelens van eer en trots. Deze mentaliteit kan niet anders dan een struikelblok opleveren, ook voor de nazaten, bij een soepele toenadering tot een moderne, op het assertieve individu gerichte samenleving, waarin de vrijheid van mening, kunst en pers tot een heilige drie-eenheid zijn geridderd en waarin niets, ook niet het meest heilige, van spot en schimp is uitgesloten.

De andere grens is van een diepere, subtielere orde: de taal. Om de volle omvang van deze communicatieve sta-in-de-weg te kunnen inzien moeten we beseffen dat praktisch ieder lief en leed (knokpartij, ontslag, oplichterij, verkering, boete, frustratie, liefdesverdriet) te herleiden is tot het wel/niet verstaan van de ander. De filosoof-filoloog Wittgenstein trof de roos toen hij opmerkte: Wovon man nicht reden kann, darüber muss man schweigen. Dit laatste, het zwijgen, is namelijk precies wat in veel migrantengezinnen is binnengeslopen: de doodse stilte tussen ouder en kind. Er is kabaal, veel kabaal zelfs, er wordt getierd, geschaterlacht, met stoelen gesmeten, de televisie staat op hoog volume, maar contact, wezenlijke gedachtewisseling, dat is er nauwelijks. Dit verstommen komt hoofdzakelijk doordat de ouders een exotische importtaal (Berbers/Marokkaans) spreken die zij nooit met dezelfde rijkdom en (grammaticale) perfectie aan hun hier geboren kinderen hebben kunnen overdragen, terwijl omgekeerd de zoon/dochter een hippe, nieuwerwetse (straat)taal bezigt die een Berbers equivalent ontbeert of waarvan zij dat equivalent simpelweg niet kennen. Hoe vertaal je ‘cool’, ‘lokhoer’ of ‘kopvoddentaks’ in het Berbers? Een dialoog van doven leeft voort.

De nauwelijks onderkende maar niet te onderschatten repercussie is dat door al deze spagaten en kloven, door al het jongleren tussen twee of drie onverstaanbare werelden, forse segmenten van de tweede en derde generatie in een sociaal-emotioneel gevang zijn geraakt en hun ontsnapping zoeken via allerlei routes: soms via de weg van het stoffelijke (studie/carrière/huis/auto), soms via het pad van het onstoffelijke (Allah). Maar soms, en dat is het volle drama, is ontsnappen simpelweg onmogelijk en blijkt het lijntje tussen een mentaal gevang en een gedragsstoornis een korte – getuige de schrikbarende cijfers betreffende psychotische ziektebeelden bij Marokkaanse jongeren. Dan loeren agressie, tuiggedrag, drugsdelicten en andere ontsporingen op elke hoek van de straat. Opgevoed zijn als ezel geldt in dit geval niet meer als verzachtende omstandigheid.

Mohammed Benzakour is socioloog en publicist/columnist. Dit is een sterk ingekorte versie van het essay dat hij schreef voor de bundel Ik ben opgevoed als ezel en vier andere essays over opvoeden vanuit migrantenperspectief. Deze uitgave, die is verschenen in het kader van het project ‘Opvoeden is een gesprek’, is te bestellen via: stichtingbmp.nl.