Genoeg reden om te huilen

De Koreaanse tranen waren een teken van dwang om te geloven in malafide nonsens, zo luidt de algemene opinie. Te eenvoudig, vindt Ian Buruma. Of het nu bij de dood van een popster of dictator is: er zijn redenen genoeg om te grienen – zeker als je Noord-Koreaan bent.

Kan een heel land gek worden? Soms lijkt het erop. Televisiebeelden van massa’s huilende mensen die hysterisch jammeren om de dood van de dictator Kim Jong-il wijzen op iets heel merkwaardigs, om niet te zeggen waanzinnigs. Maar wat is het precies? Een collectieve vorm van zelfbedrog? Of een masochistisch ritueel misschien?

Kim Jong-il was niet zomaar een tiran, maar een groteske wreedaard die de fijnste kazen en duurste cognac uit Frankrijk en de meest exquise Japanse gerechten voor zichzelf uit Tokio liet overvliegen, terwijl miljoenen van zijn onderdanen crepeerden van de honger. En toch stonden zij daar, het slavenvolk van de Kim-dynastie, te brullen van verdriet om zijn dood, alsof een dierbare vader was heengegaan.

Nu is het waar dat de burgers van Pyongyang behoren tot de meest bevoorrechte klasse in Noord-Korea, en luid publiek misbaar hoort bovendien bij traditionele Koreaanse begrafenisriten. Maar toch, wat we te zien kregen van de taferelen in Pyongyang leek op een uitbarsting van publieke zwakzinnigheid. Is er een plausibele verklaring?

Noord-Koreanen zijn wat dit betreft niet uniek. Weinig landen leden meer onder het juk van Joseph Stalin dan Polen, maar ook in Warschau huilden mensen na zijn dood. Het is natuurlijk best mogelijk dat dit allemaal gebeurt onder dwang, een ijselijke vorm van geforceerde zelfvernedering. Niet alleen word je gemarteld, maar je moet de folteraar bovendien vereren, voor en na zijn dood.

Noord-Koreanen die weigeren publiekelijk hun droefenis over Kims sterven te betuigen kunnen waarschijnlijk rekenen op moeilijkheden: een kind dat van school moet, een gedwongen verhuizing naar het verpauperde platteland, of zelfs een concentratiekamp. Onderwerping aan propaganda is daarom een kwestie van zelfbehoud. Het leven wordt bovendien gemakkelijker als men de officiële leugens werkelijk gelooft. Hoe meer twijfels men heeft, die natuurlijk nooit kunnen worden geuit, ook niet (ja zelfs vooral niet) tegenover je eigen kinderen, hoe meer het dagelijks leven een marteling wordt.

Of een mens zichzelf kan dwingen te geloven in malafide nonsens is een interessante vraag. Noord-Korea is niet het enige land dat in de ban wordt gehouden van een gedwongen politieke of religieuze orthodoxie (de twee vallen vaak samen). Kan natuurlijke scepsis in een intelligent hoofd worden onderdrukt? In ieder geval kan de openlijke scepticus tot zwijgen worden gebracht.

En toch is dwang, hoewel een belangrijke factor, niet de enige verklaring voor de bizarre taferelen in Pyongyang. Massahysterie manifesteert zich op vele manieren. Het is te gemakkelijk om aan te nemen dat dit altijd een kwestie is van wat marxisten vroeger ‘vals bewustzijn’ noemden, van toneelspel.

Er zijn ook minder sinistere voorbeelden van hysterisch publiek gedrag. De uitzinnige emoties in Engeland na de dood van prinses Diana bijvoorbeeld. Mensen die haar alleen kenden van de televisie en roddelrubrieken verklaarden dat de dood van de prinses hen dieper had geroerd dan het overlijden van hun eigen vader of moeder. Zij logen waarschijnlijk niet, hoe grotesk dit ook mag klinken. Zo voelden zij dat.

Mensen zijn vaak geneigd de ergste pijn te onderdrukken. Niet hysterie, maar een soort verlamming maakt zich vaak van ons meester na een groot verlies. Onze gevoelens moeten echter ergens naartoe, en de dood van een beroemdheid kan fungeren als een typische uitlaatklep. Mensen die tranen lieten om de dood van Diana, huilden eigenlijk om de dood van iemand anders. Een gevoel wordt verplaatst, of in feite misplaatst. Deze vorm van publieke rouw is sentimenteel, maar daarom niet minder sterk gevoeld.

Soms rouwen we na de dood van een bekendheid ook om het verloop van ons eigen leven. Het doet er niet toe of het gaat om een prinses, een populaire zanger, of een bloedige dictator. We zijn met hen opgegroeid, ons leven was met hun aanwezigheid verweven. Met hun dood sterft ook iets in ons.

Massahysterie is bovendien aanstekelijk. Ik was in Noord-Korea vlak na de dood van Kim Il-song, vader van Kim Jong-il. Ook toeristen waren verplicht om hun respect te betuigen aan de marmeren voeten van zijn reusachtige standbeeld in het centrum van Pyongyang. Onder leiding van de ‘reisgids’ (ongetwijfeld een employé van de veiligheidsdienst) moesten wij onze hoofden buigen, terwijl uit enorme luidsprekers huilende vrouwenstemmen klonken.

Onder de rouwende massa’s waren veel schoolkinderen, in lange rijen opgesteld. Aanvankelijk trokken zij de onverstoorbare pokergezichten van kinderen die gewend zijn nooit iets te doen zonder officiële toestemming. Maar toen hun onderwijzers begonnen te snotteren, met luid gekerm over „onze vader”, biggelden allengs ook de tranen over de wangen van de leerlingen. Zij huilden zodra hun onderwijzers huilden.

Was dit een oprechte expressie van treurnis? Wie kan het zeggen? De tranen waren echt. Zij moeten iets hebben gevoeld, misschien zelfs verdriet. Het is mogelijk dat velen zo waren geïndoctrineerd dat zij de overleden tiran daadwerkelijk zagen als hun dierbare vader aan wie zij alles te danken hadden.

Anderen hadden misschien hun persoonlijke gevoelens misplaatst, emoties die allerlei oorzaken kunnen hebben. Tenslotte hebben de arme Noord-Koreanen genoeg redenen om te huilen. Het leven in een totalitaire staat is een voortdurende plaag, zelfs in het relatief bevoorrechte Pyongyang. En daarom wenen de mensen om de dood van de man die daar persoonlijk verantwoordelijk voor was.

Ian Buruma is schrijver en hoogleraar op Bard College, New York.