Een verweerde schoen. De eigenaar stierf in Polen

Graven in een vuilstort bij Kamp Westerbork. Dat deed archeoloog Ivar Schute afgelopen maand. Kratten met vondsten determineerde hij deze week samen met het museumpubliek. ‘Het praatje gaat vanochtend te werktuigelijk.’

Woensdag 28 december

Eerst de auto uitladen. Die heeft de hele nacht met tientallen kilo’s vondstmateriaal op de parkeerplaats van het hotel gestaan. Van Leiden naar Westerbork blijft onhandig. Sjaak, de beheerder van het Herinneringscentrum Westerbork, is al bezig met de opstelling.

We zitten in de tot schervenzaal omgetoverde filmzaal als deel van de expositie. ‘Community archaeology’ heet dat met mooie woorden. En die community krijg ik vandaag over me heen gestort. Het publiek staat continu aan onze tafels. Om 12.00 uur en om 14.00 een lezing geven, daartussen twee interviews en snel een broodje. Dat is mijn dag. En met Jobbe en André, mijn collega’s, discussiëren, over de datering van spijkers en haarspeldjes.

Donderdag

Die Jobbe is een speciale. Wie verzint dat? Je de kruipruimte in wurmen om daar naar vondstmateriaal te zoeken. Het is er stikbenauwd. Als ik inademde kwam ik niet onder de verwarmingsbuizen door. Voor Jobbe was dat geen probleem. En daar lag-ie dan onder de vloer van de woning van de SS-kampcommandant. Wat een plek om te zoeken.

En nu zit hij achter me, hier in de schervenzaal, in dit theater. Gebogen over haarkammen, medicijnflesjes, pruimenpitten, leeg geknepen tubes, kralen en muntjes. In de handen een flesje ‘azynessence’ of een dopje waarop N.O.F. staat, de oude naam voor Calvé. En dan opeens een plukje menselijk haar in een haarklemmetje.

Vrijdag

Het zijn de stille getuigen die een groot verhaal in begrijpbare eenheden vertellen. Dit is het vuilnis. Deze ochtend zit er een verweerde schoen tussen. De eigenaar is hoogstwaarschijnlijk vermoord in het oosten van Polen en heeft in Westerbork een elektriciteitsdraadje gebruikt als veter. Iets anders was er niet meer.

Bezoekers vragen ons naar de mooiste vondst, naar het goud, de munten of het dagboek van de kampcommandant. Die vinden we niet, we vinden alleen vuilnis. Of is elke vondst de ‘mooiste’ vondst?

In de volgende schoen zit een muntje verborgen, in textiel gewikkeld. Het is een bronzen 2 en een halve cent van voor de oorlog. Weer geen goud.

Zaterdag

Valt mee, ik hoef vanavond alleen maar champagne mee te nemen.

Zondag

En een Gelukkig Nieuwjaar voor iedereen.

Maandag

Een beetje duf doe ik mijn verhaal. Met twee lezingen per dag zal ik er in totaal 16 houden. Het praatje gaat deze ochtend te werktuigelijk. Ik heb het excuus van het nieuwe jaar en het vroege opstaan. Om negen uur moest ik in Beilen zijn, om Nick op te halen die zich bij ons team voegt op een nogal treurigstemmend stationnetje, in de buurt waarvan in de zeventiger jaren een van de Molukse treinkapingen plaatsvond.

De kiemen van die Molukse onvrede liggen in de woonoorden waarvan Schattenberg, zoals Westerbork vanaf 1950 heette, er eentje was. Het woonoord waar de Molukkers ‘tijdelijk’ werden gehuisvest in de barakken die pas twintig jaar geleden gesloopt werden, op een aantal na dat is hergebruikt als varkensstal.

De ironie wil dat het hout van de resterende stallen goed geconserveerd is door het ammoniak in de urine van de varkens.

Dinsdag

We merken opeens dat we door de vondsten heen raken. Er moeten weer een paar kratten gewassen worden. In een boerenschuur in de omgeving is voor ons een wasinstallatie ingericht. Hier staan nog 24 kratten met ongewassen vondsten te wachten. De grond is er op de opgraving nat uitgezeefd, maar goed schoon en droog zijn de vondsten nog niet.

Om die reden rij ik met Nick naar de schuur. Een koppeling blijkt kapot te zijn, waardoor we zonder water staan in de stromende regen. Met enige moeite repareren we dat en kan Nick aan de slag.

Het is een bizar gezicht, hij staat in een verwarmde partytent in een schuur waar voornamelijk groen beschilderd hout ligt opgeslagen, aangevreten door brandsporen. Het zijn de trieste resten van barak 57, de barak waar Anne Frank heeft gewerkt en die in 2009 in brand is gestoken.

Woensdag

Waarom is het woensdag druk? Twee keer volle bak. Bij de lezingen verschijnen meer mensen dan er stoelen zijn. En er is weer pers. Om half twaalf meldt de reporter van Radio 1 zich. Hij heeft Simon meegenomen. En Simon is een hoogbejaarde man die in Westerbork en Theresienstadt gevangen heeft gezeten. In een hoekje vertelt hij mij zijn geschiedenis, hoe hij uiteindelijk het verhaal aan zijn kinderen deed, in 1988.

Ik vraag hem hoe hij het vindt, dat ik met mijn handen in ‘hun’ afval sta te graven, het afval dat nu voor me op tafel ligt. Onwillekeurig voelt dat soms als heiligschennis. Hij vindt het een goede zaak. En geeft me tips waar ik nog meer zou moeten gaan graven. Op zoek naar de stille getuigen.

Donderdag

Een medaillon?

Er ligt een ronde bronzen schijf voor me met aan de binnenkant een scharniertje. De andere klep ontbreekt. Er zit een laagje textiel om het object, klaarblijkelijk om het te verbergen of te bewaren. Wanneer ik daar met een pincet een hoekje van oplicht worden rode en witte geslepen steentjes zichtbaar die in de rand van de schijf zijn gezet. Sierstenen of edelstenen? De schijf moet een waarde voor de bezitter hebben gehad, maar of dat op het emotionele of het financiële vlak is geweest? Edelstenen gevat in brons verwacht je niet direct, denk ik. En zo speculeer ik verder.

Het is niet de eerste vondst die nader onderzoek verdient. Een snelle telling leert dat we hier aan tafel nu 8.001 vondsten hebben verwerkt met een gewicht van 210,6 kilo. Meer dan 500 vondsten moeten nader bestudeerd worden, wellicht door specialisten. En het medaillon is er eentje van.

Vrijdag 6 januari

Een schattig klein meisje probeert me te helpen door scherven aan elkaar te passen. Het tekent de reacties van het publiek de laatste weken. Uitsluitend positief.

Het is de dag van afscheid nemen. Vandaag gaan we terug naar Leiden. Na vijf weken onderzoek zullen we Westerbork gaan missen – het klinkt absurd, ik weet het.