Een obstakel op de rails

Voor de trein springen kan voorkomen worden door opheffing van het taboe op zelfmoord. Nationale preventie en euthanasie bij ondraaglijk lijden, adviseert Heleen Crul.

Veelvuldig door Nederland per trein reizend heb ik een keer of vijf meegemaakt dat de trein moest stoppen voor „een obstakel op de rails”, zoals de officiële mededeling aan de inzittenden was. Dat obstakel was niet, zoals je zou denken, een voorwerp of een dier, maar een mens die een einde aan zijn leven had gemaakt. Door het raam zie je dan ambulance, politie en ten slotte ook brandweer arriveren. Als de resten van die mens in een plastic zak zijn gedaan moet de voorkant van de trein door de brandweer worden schoongespoten.

Sommige mensen worden geboren met lichamelijke gebreken of ziekten die gemakkelijk zijn op te sporen en door artsen vaak goed zijn te behandelen.

Anderen zijn ogenschijnlijk gezond maar blijken al opgroeiend een psychisch defect te hebben dat zich vaak langzaam openbaart. Ondanks al hun verwoede inspanningen kunnen ze niet echt aarden, blijven ze bannelingen van het leven, komen ze niet tot bloei. Persoonlijke vreugde, voldoening en de genegenheid van anderen zijn lichtflitsen die kortdurend opgloeien en gedoofd worden door hun innerlijke duisternis waar alleen gebrek aan zingeving en wanhoop gedijen. Ze willen wel leven maar ze kunnen het niet. Deze ondraaglijke zwaarte van het bestaan leidt uiteindelijk tot het inzicht dat alleen de zelfgekozen dood een verlossende bevrijding en een eeuwige rust kan geven.

Enige jaren geleden sprak ik een moeder wier zoon ook voor de trein was gesprongen. Het was niet zijn zelfmoord waar ze zeer verdrietig over was, maar de manier waarop dat had moeten gebeuren. Hij had twee mislukte pogingen gedaan en dit keer moest het definitief zijn. „Ik heb hem al die jaren zien worstelen met zijn leven en ten slotte begrip gekregen voor zijn wens een eind aan die lijdensweg te maken. Maar waarom moest het zo, kon hij geen medische hulp krijgen bij zijn wens zijn leven te beëindigen?”

Ongeveer 30.000 mensen doen in ons land jaarlijks een mislukte poging tot zelfmoord. Elk jaar maken zo’n 1.500 mensen een eind aan hun leven, waaronder 300 jongeren. Dat getal overtreft het aantal verkeers- of AIDSslachtoffers. Bij een deel is sprake van een borderline persoonlijkheidsstoornis, depressie of schizofrenie.

Mensen die de hand aan zichzelf slaan, doen dat vaak niet zomaar vanuit een impuls. Ze hebben meestal dapper gevochten tegen hun gevoel van vergeefsheid en uitzichtloosheid van het bestaan. Uiteindelijk lijkt er, na lang en vaak obsessief gepieker daarover, voor hen maar één alternatief: de zelfgekozen dood als nooduitgang. Omdat op deze manier hun martelgang door het leven wordt beëindigd en rust definitief wordt gegarandeerd. Vijftig procent van de mensen die zelfmoord plegen is niet onder behandeling geweest van een psychiater of psycholoog. In een aantal gevallen zou deze daad niet nodig zijn geweest, als de persoon zelf en zijn familie op de hoogte waren geweest van de onderliggende psychische stoornis die uiteindelijk tot de keus van zelfmoord leidt. Dat is althans de mening van Ad Kerkhof, hoogleraar klinische psychologie. De Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ) mist deze kans vaak, laat hij in een artikel op internet weten, omdat mensen die zelfmoordgedachten koesteren, daarmee doorgaans niet te koop lopen. Hun geworstel is een eenzaam avontuur, ze schamen zich voor hun gevoelens. Daarom houden ze zo lang mogelijk de schone schijn op dat er niets met hen aan de hand is.

Die houding wordt aangemoedigd doordat zelfmoord in ons land nog een maatschappelijk taboe is. Er zijn religieuze motieven: het leven wordt door God gegeven en door Hem teruggenomen. Maar voor de meesten van ons is zelfmoord zo onvoorstelbaar omdat we van het leven houden. Bovendien vindt men in ons land dat iemand die per se een eind aan zijn leven wil maken ‘toch niet tegen te houden is’. Nationale preventieprogramma’s in Engeland en Scandinavië, samen met scholen, politie, justitie, de media en de spoorwegen, bewijzen het tegendeel. Zo’n maatschappijbrede aanpak blijkt te werken.

Euthanasie bij uitzichtloos en ondraaglijk lichamelijk lijden is in ons land gelegaliseerd. Wel moet de sterfwens eerst door een onafhankelijke arts zijn getoetst. In andere situaties is hulp bij een sterfwens lastiger te verkrijgen maar niet onmogelijk. Dat geldt bijvoorbeeld voor euthanasieverzoeken van patiënten met (beginnende) dementie, mensen die lijden aan een ernstige, ongeneeslijke chronische ziekte die hun leven steeds meer beperkt of (hoog) bejaarden die hun ongeneeslijk oud-zijn als ondraaglijk ervaren. Voor een te laagdrempelige manier van hulp bij zelfdoding bestaat bij de Koninklijke Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst een stevige huiver. Dat verklaart wellicht waarom er in theorie ook bij de wens tot zelfmoord hulp kan worden verstrekt, maar deze in de praktijk zelden plaatsvindt. Ondraaglijk psychisch lijden, ‘geestesziek zijn’, wordt in de medische wereld ervaren als ‘lastiger te definiëren’ dan uitzichtloos fysiek lijden. Dat laatste is bovendien breder maatschappelijk geaccepteerd en ook eenvoudiger toetsbaar.

Desgevraagd zou nu maar 2 procent van de artsen bereid zijn om ook hulp bij zelfmoord te verlenen. Dat geringe percentage wordt in belangrijke mate veroorzaakt door de wetenschap dat actieve hulp bij zelfmoord door een arts tot rechterlijke vervolging kan leiden, ook al wordt hij of zij in zo’n geval doorgaans vrijgesproken. Als behandeling geen baat heeft, zou voor die groep hulp bij zelfdoding beschikbaar moeten zijn in de vorm van een door een arts verstrekte dodelijke injectie, meent Kerkhof. Sommige artsen zien meer in een middel met een dodelijke uitwerking dat weliswaar door hen wordt voorgeschreven, maar vervolgens zelf door degene die zijn leven wenst te beëindigen, wordt ingenomen. Deze manier van hulp zou tegemoet komen aan de persoonlijke wens van de betrokkene er een einde aan te maken. Tegelijkertijd verkleint deze aanpak ook de ultieme verantwoordelijkheid van een arts.

De gang van zaken tot nu toe leert dat iedereen die een zelfmoord in zijn omgeving – binnen de familie of in zijn kennissenkring – meemaakt, worstelt met de vraag die steeds weer terug komt: waarom moest het zo? Daarom is het hoog tijd voor een maatschappelijke en medische discussie over hoe het taboe op zelfmoord doorbroken kan worden en bespreekbaar kan worden gemaakt. Bij die bespreekbaarheid hoort ook de ontwikkeling van preventieprogramma’s zoals in Engeland en Scandinavië. Evenals de mogelijkheid tot hulp bij levensbeëindiging voor iemand die moegestreden door zijn/haar psychische martelgang dat leven niet meer aan kan. Zo’n begeleiding voorkomt dat de betrokkene uit wanhoop in alle eenzaamheid een gewelddadige, mensonwaardige methode kiest, zoals ophanging, verdrinking, voor de trein springen of een geweerschot. Die vervolgens ook nog eens een onbeschrijfelijke schok is voor de nabestaanden. Zij blijven in verbijstering achter met de ‘waarom’-vraag, evenals een immens verdriet en schuldgevoelens, gevoelens die nooit echt slijten. Een zorgvuldig, humaan afscheid van degene die dit afscheid met deskundige begeleiding en hulp heeft kunnen overwegen, kan dit alles voorkomen.

Heleen Crul is publiciste. Wie met vragen over zelfdoding zit, kan terecht bij 113online.nlTelefoonnummer: 0900 - 1130113