Een historicus in de KNAW komt uit Groningen

De stem van de wetenschap. Geschiedenis van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Deel 2, 1914-2008. Klaas van Berkel. Uitg. Bert Bakker. 677 blz. € 49,95

In het tweede deel van zijn geschiedschrijving van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (KNAW) beschrijft Klaas van Berkel, zelf Akademielid, de wederwaardigheden van dit eerbiedwaardige instituut in de periode 1914-2008. Hij doet dat met een verfrissende afstandelijkheid en met een bij tijden ironisch en scherp pennetje. Want hoewel Van Berkel in het laatste hoofdstuk constateert dat de Akademie er goed voorstaat, dat ze wetenschappelijk wordt gerespecteerd, heeft hij een open oog voor haar tekortkomingen. Hij noemt de positie van de Akademie “niet onomstreden” – in een interview in deze krant suggereerde hij zelfs dat de Akademie, als ze er nu niet was geweest, niet in haar huidige vorm zou worden opgericht.

Een van de regelmatig terugkerende punten van kritiek en discussie is de manier waarop nieuwe leden worden gekozen: het daarbij gehanteerde systeem van coöptatie zou niet tot een juiste afspiegeling leiden van de wetenschappelijke wereld in Nederland. En inderdaad: in elk vakgebied vertoont de ledenlijst wel wonderlijke lacunes. In dat verband citeert Van Berkel een brief uit 2004 van een niet bij name genoemde Amsterdamse historicus, die zich afvraagt of de Akademie ooit nog eens een Amsterdams historicus zal benoemen – sinds de Tweede Wereldoorlog was geen Amsterdammer meer benoemd. En dat terwijl, zoals Van Berkel constateert, Groningse historici zonder problemen lid werden.

Een ander telkens terugkerend punt is de kwestie van de door de Akademie beheerde onderzoeksinstituten. Valt die taak te verenigen met de wetenschappelijke adviesfunctie die de Akademie ook heeft? Leidt dat niet tot partijdigheid?

Meer algemeen laat Van Berkel zien hoe de Akademie telkens weer op zoek ging naar haar plaats en rol in het wetenschappelijk en maatschappelijk bestel. Dat leidde soms tot hilarische episodes, zoals de met ironie beschreven zeer serieus gevoerde discussie over een door de leden te dragen ambtsgewaad, waarvoor zelfs een ontwerp werd gemaakt. Maar ook de meer pijnlijke kwestie van het beleid van de Akademie tijdens de bezetting, uit protest waartegen een aantal leden uit de Akademie stapte, komt onverbloemd aan de orde.

De hele periode van dit tweede deel overziend komt ook een interessant algemeen thema naar voren, namelijk hoe het maatschappelijk aanzien van de wetenschap de positie en de invloed van de Akademie direct beïnvloedde. In de jaren twintig van de vorige eeuw stonden wetenschappers hoog in aanzien – denk aan de overweldigende belangstelling bij de begrafenis van H.A. Lorentz in 1928. Maar in tijden zoals nu, waarin de wetenschap en haar beoefenaren telkens weer ter discussie worden gesteld, heeft ook de Akademie het moeilijk.

Het is de grote verdienste van Van Berkels boek dat hij de geschiedenis van de Akademie weet te plaatsen in de maatschappelijke en politieke ontwikkelingen van de twintigste eeuw, en doordat hij dit doet op een kritische en buitengewoon leesbare manier is dit boek ook interessant voor degenen die niet specifiek in de KNAW geïnteresseerd zijn.

Anne Kox

Anne Kox is hoogleraar geschiedenis van de natuurkunde aan de Universiteit van Amsterdam