De ups en downs van kwallen

Een beetje met de stroom meegaan. Met de golven mee bewegen. En willoos eb en vloed volgen. Dat is het beeld van het leven van kwallen. En het is fout.

Iedereen denkt dat die kwallen maar wat in zee zweven, zo doorzichtig als plastic zakjes en al net zo slap. Met hun lange tentakels vangen ze zo wat er aan kleine beestjes in het water toevallig tegen ze aan komt zweven. Willoos en dommig.

Maar nu hebben Amerikaanse biologen ontdekt dat kwallen harde werkers zijn (het staat in Proceedings of the Royal Society B van februari). IJverig verkennen ze hun wereld en op hun manier doen ze dat slim.

De biologen maakten kleine dieptemetertjes vast aan wilde kwallen. Wat bleek? Kwallen bewegen heel wat af, op eigen kracht. Een tijd lang blijven ze op één hoogte, maar daarna gaan ze opeens hoger op, of veel meer de diepte in. Daar zoeken ze dan weer naar voedsel.

In maar tien meter diep kustwater stuiteren ze zo op en neer, bij elkaar wel vijfhonderd meter per dag. Het heeft niets met stroming te maken. De dieren doen het zelf. Het beeld van slappe kwallen klopt dus niet. Kwallen ‘staan actief in het leven’, zoals mensen graag over zichzelf zeggen. En ze pakken hun werk perfect aan. Want: wat moet je als dier doen met verspreid voedsel? Waarvan je van tevoren niet kan weten waar het is? Dat je niet van grote afstand kan zien?

Landdieren lopen daarvoor heel veel rond. Hier eens zoeken, en dan daar. Kleine stukjes verder. En dan opeens een flink stuk verder gaan, en daar weer hun geluk beproeven.

Vossen zoeken zo muizen. Vogels prikken zo met lange snavels in de bodem naar beestjes. Mensen op een grote rommelmarkt snuffelen zo – omdat ze een goede kans willen hebben iets te vinden.

Kortom, ingewikkelde dieren doen dat: veel bewegen, met af en toe een grote verplaatsing. En simpele kwallen doen dus precies hetzelfde, maar dan op en neer. In hun eigen tempo, dat wel. Als kwallenonderzoeker moet je wel geduld hebben.

Frans van der Helm