De Europese opdracht

Met het nieuwe jaar is Denemarken deze week begonnen aan het halfjaarlijks roulerend voorzitterschap van de Europese Unie. Het belooft opnieuw een loodzware periode te worden waarin de bereidheid tot samenwerking tussen de 27 lidstaten verder op de proef komt te staan. Net als de afgelopen tijd zal Europa weer vooral in het teken staan de eurocrisis.

De zoveelste top van Europese regeringleiders van afgelopen december, bedoeld om nu eindelijk met een daadkrachtig pakket maatregelen de crisis te lijf te gaan, mondde uit in diepe verdeeldheid tussen Groot-Brittannië en de overige lidstaten van de Unie. Het daadkrachtige plan van aanpak zal nu met een gekunstelde omweg tot stand moeten worden gebracht. De onrust op de financiële markten is dan ook niet tot staan gebracht. Maar niet alleen daar is het vertouwen zoek, hetzelfde geldt inmiddels voor de consumenten waardoor de crisis alleen nog maar wordt verergerd.

Tot zover het economische verhaal. Maar Europa is tevens een politiek project. Ook dat raakt in een steeds diepere crisis. Om een reclameslogan van een Nederlandse bank te parafraseren: Hoeveel Unie willen de Europese lidstaten nog hebben? Aan de ene kant is er de overtuiging dat de EU de huidige crisis alleen maar in gezamenlijkheid kan oplossen, aan de andere kant wordt die gezamenlijkheid in toenemende mate als medeveroorzaker van de problemen beschouwd.

Het nationaal belang in diverse lidstaten komt meer op de voorgrond te staan. Met presidentsverkiezingen in Frankrijk dit jaar en volgend jaar Bondsdagverkiezingen in Duitsland, de twee belangrijkste lidstaten van de Unie, zal het nationale sentiment alleen nog maar toenemen.

De decennia van ‘logische integratie’, waarbij de ene stap van Europese samenwerking haast automatisch leidde tot een volgende, lijken voorbij. Als die ontwikkeling doorzet dreigt al snel desintegratie. Niet voor niets toont historicus en schrijver Geert Mak zich in zijn deze week verschenen boekwerkje ‘De hond van Tisma’ uitermate bezorgd over de fase waarin Europa zich nu bevindt. Hij vreest dat het „kostbare project van vorige de vorige generaties Europeanen ongemerkt uit onze handen glipt.”

Wat zich wreekt is dat de Europese gedachte, die voor een belangrijk deel van de naoorlogse generatie een vanzelfsprekendheid was, bij de huidige politici aanzienlijk minder leeft. „Europa best belangrijk”, communiceerde een Nederlandse kabinet aan de vooravond van het referendum over de Europese grondwet tegenover het gereserveerde electoraat. Zuiniger kon het niet.

Europa als opdracht, is uit. Dat vindt ook premier Rutte, die de afgelopen maanden herhaaldelijk liet weten dat het ‘nie wieder Krieg’ beginsel voorbij is. Europa is, zo zei hij vorig jaar september in de Popper-lezing, „in een nieuwe, geheel andere ontwikkelingsfase gekomen waarbij een ander type boodschap en taakopvatting hoort”. In zijn ogen is dat een Europa dat „welvaart en groei centraal stelt in plaats van de ideologische grondtoon over Europa als verheven project”. Daarbij reduceert hij de betekenis van Europa wel heel erg. Alsof dat ‘verheven project’ ook geen positieve rol heeft gespeeld na het verdrijven van de dictaturen in Portugal, Griekenland en Spanje en nu zijn ‘soft power’ gebruikt om de voormalige Oostblok-dictaturen tot volwaardige democratieën om te vormen.

Ruttes Europa is volgens zijn eigen zeggen een „meer realistisch en bescheiden Europa” dat erop is gericht de Unie „weer relevant te maken voor het individu”. Kortom, de Europese Unie als welvaartsinstrument in plaats van als politiek doel. Maar als Europa verwordt tot louter pragmatische keuze kan het snel gaan.

Natuurlijk, de Tweede Wereldoorlog is reeds lang voorbij. Maar de historische noodzaak van het zich verenigende Europa is er niet minder om geworden. Het heeft juist nu vertrouwen van politieke leiders nodig. Dat vraagt om veel meer dan de vrijblijvende „praktische keuze” van Rutte.