Cuba gunt pizzabakker maar beperkte vrijheid

Om de zwakke economie te helpen biedt Cuba ruimte aan eigen bedrijfjes. Maar in een planeconomie is winst maken lastig. Velen stoppen alweer.

Een jaar geleden bakte de 31-jarige Julio Cesar Hidalgo nog koekjes in een Cubaanse staatsbakkerij. Hij en zijn collega’s concurreerden bij het achteroverdrukken van eieren, meel en olie, als aanvulling op hun magere maandsalaris van omgerekend zo’n 12 euro. Nu zijn Hidalgo en zijn 23-jarige vriendin de trotse uitbaters van een pizzeria in Havana.

Hidalgo is een van de Cubanen die een eigen bedrijfje zijn begonnen nadat de Cubaanse overheid ruim een jaar geleden een lijst van 178 beroepen vrijgaf, waaronder curieuze als ‘houtskoolmaker’ en ‘palmboomsnoeier’, maar ook ‘restaurant- of caféhouder’. Inmiddels zijn er ruim 357.000 bedrijfsvergunningen verstrekt, blijkt uit overheidscijfers.

Dat aantal zal waarschijnlijk verder stijgen nu de regering vanaf 1 januari werkplaatsen te huur aanbiedt voor vrijgegeven ambachten, zoals horlogemakers, timmerlieden en elektriciens. Ook is pas geleden aangekondigd dat staatsbanken in Cuba kleine leningen gaan verstrekken aan zelfstandige ondernemers.

Maar uit de ervaringen van Hidalgo en andere ondernemers in Cuba blijkt dat het lastig is om winst te maken. De belastingen zijn hoog, de concurrentie is groot en de afzetmarkt klein. Het staatssalaris waar de meeste Cubanen van leven is te karig voor uitspattingen.

Pizzabakker Hidalgo, een van twaalf nieuwe Cubaanse ondernemers die het afgelopen jaar werden gevolgd door lokale verslaggevers van persbureau AP, leed verlies. De zomer was heet, niemand wilde pizza. Zijn laatste spaargeld verdween toen hij de zaak twee maanden sloot om voor zijn demente oma te zorgen en de belastingen doorliepen. Toen hij eind november weer opende had hij soms geen geld voor ingrediënten.

Bij de presentatie van de economische projecties voor 2012 in december zei de Cubaanse minister van Economische Zaken dat er dit jaar 240.000 banen bij komen in de vrije sector. Dat is nodig, want de Cubaanse overheid gaat opnieuw mensen ontslaan. Uiteindelijk moeten 1 miljoen staatsbanen verdwijnen.

Dat de Cubaanse overheid op papier het ondernemerschap aanmoedigt maar het in de praktijk met allerlei regels en heffingen heel moeilijk maakt, laat zien dat president Raúl Castro de controle wil houden. Het doel is de overleving van de socialistische revolutie, niet een overgang naar vrije markt en democratie.

Een van de meest genoemde klachten door Cubaanse zelfstandigen is hoe lastig en duur het is om ingrediënten of basismaterialen te kopen voor hun bedrijf. Het eiland heeft nauwelijks industrie en de disfunctionele landbouw produceert weinig. De staatswinkels hebben geïmporteerde spullen, maar de prijzen zijn torenhoog, onder meer omdat de overheid er extra belasting op heft.

Veel Cubaanse ondernemers kopen daarom wat ze nodig hebben op de zwarte markt, blijkt uit interviews in het tijdschrift ‘Cuba-Europe dialogues’, een halfjaarlijkse uitgave van een hulporganisatie uit Tsjechië. De eigenaar van een koffiehuis vertelt dat hij een kennis bij een staatswinkel betaalt voor valse kassabonnetjes. Die toont hij aan de controleurs die regelmatig aanbellen. „Als ze mijn fraude doorhebben, doe ik ze een aanbod. Niemand weerstaat geld.”

Volgens de bijdragen aan het blad, geschreven door Cubanen, zijn veel van de cuentapropistas – zij die voor eigen rekening werken – er alweer mee opgehouden. De kosten zijn te hoog, de inkomsten te laag. Van de twaalf ondernemers die AP volgde hebben drie hun vergunning ingeleverd, onder wie de naaister Anisia Cardenas. Ze kon de belastingen van 15 euro per maand niet opbrengen.

Hidalgo en zijn vriendin Giselle de la Noval gaan door met hun pizzeria. Ze zijn blij eigen baas te zijn. Dat ze dit eerste jaar hebben overleefd, zegt de la Noval, komt door hun discipline. „Voordat we ook maar iets deden, hebben we altijd het geld opzij gezet dat we schuldig zijn aan de staat.”