Brieven over het relativeren van autisme

Robeyns raakt met haar stuk kant noch wal

Onder de kop ‘Relativeren van autisme is in de mode’ publiceert prof. Ingrid Robeyns een artikel dat evenals de kop kant noch wal raakt (Opinie & Debat, 31 december). In de introductie voegt ze en passant hieraan toe dat het afschepen van ADHD’ers als lastpakken past in de tijdgeest.

Heeft zij onderzoek gedaan naar het relativeren van deze ziektebeelden en naar de tijdgeest? Wil ze nagaan hoeveel mensen onder de indruk zijn van haar functies? Ze eindigt het artikel met de exclamatie dat we in 2012 geen uitspraken moeten doen over dingen waarvan we geen verstand hebben. Moet ze daar dan niet zelf mee beginnen?

Uit haar zeer uitvoerige cv – op haar website – blijkt nergens dat ze zich heeft verdiept in kinderen en al helemaal niet in communicatiestoornissen bij kinderen, mogelijke oorzaken of een mogelijke aanpak. Voor mij – als oud-schoolarts – is het duidelijk dat kinderen gemakkelijk onzeker en angstig kunnen worden, onder meer door onbegrepen communicatie, te hoge eisen, onderwaardering of overdreven waardering.

Welnu; onzekere kinderen vertonen ADHD-symptomen. Een symptomatische therapie is ritalin. Beter is het, indien mogelijk, empathisch de achtergrond van onzekerheid te ontdekken en daar iets aan te doen. Zo kan ook te veel onbegrepen communicatie – bijvoorbeeld door zintuigproblemen of cultuurverschillen – symptomen van autisme veroorzaken. Het kind geeft het op en sluit zich af. Deze problemen kunnen genetisch bepaald zijn, maar daarom is de communicatiestoornis die erop volgt nog niet genetisch bepaald.

Wat cultuurverschillen kunnen bewerkstelligen, kan men tussen de regels door bevroeden in Metaphysique des tubes van Amélie Nothomb. Zij leek de twee eerste jaren van haar leven te vegeteren en sprak geen woord. Daarna vertoonde zij woedeaanvallen. Dit zijn duidelijke signalen van autisme. Nu schrijft Amélie Nothomb bestsellers.

Ton Postmes

Venlo

Robeyns legt de vinger op onze problemen

Huilend heb ik Ingrid Robeyns gelezen (Opinie & Debat, 31 december). Ik heb een zoon in de puberteit met ADD en ODD. We zijn naar de Jeugdriagg en naar een in AD(H)D gespecialiseerde psychiater geweest. Nu is hij aangemeld bij Bureau Jeugdzorg. Ondertussen heeft hij de goede medicatie.

Desondanks zien wij hem ontsporen. Hij was betrokken bij een inbraak, gebruikt wiet en spijbelt. Hij kan niet alleen thuis zijn. Naar zijn ouders is hij verbaal en fysiek agressief. Hulp blijft achter, of we krijgen advies waarbij de belasting voor ons niet minder wordt. Het gaat je macht als ouder te boven om een kind met deze stoornissen op te voeden. Hiervoor is specialistische hulp nodig.

Ook binnen het onderwijs zijn er problemen. Na een vwo-advies ging onze zoon uiteindelijk naar vmbo-kader. Nu doet hij de derde klas over, maar is hij weer opgeklommen naar vmbo-t, dankzij onze inzet en die van de Inspectie van het Onderwijs. Het ‘rugzakje’ had de school voor andere doeleinden gebruikt dan onze zoon.

Onze levensvreugde en -ruimte worden steeds verder verkleind. We hebben ontspanning en rust broodnodig. Je kind uitbesteden gaat ook niet. Een ander kun je hiermee niet belasten.

H. van der Giessen