Brieven

De media negeerden ongeluk Van Vollenhoven

Geregeld heb ik mij verbaasd over de berichtgeving inzake Pieter van Vollenhoven. Als voorzitter van (veiligheids)organisaties, uitmondend in het voorzitterschap van de Onderzoeksraad voor Veiligheid en een professoraat, was Van Vollenhoven bij rampen niet uit het nieuws weg te slaan. Hij vervulde de rol van ’Prins Veilig Verkeer’ met verve.

Zijn verdiensten zijn breed uitgemeten, maar in alle publicaties bleef één aspect altijd onbesproken – het ongeluk. Destijds was het één dag voorpaginanieuws. Van Vollenhoven trof geen blaam. De pers ging over tot de orde van de dag. De prins vervolgde zijn glansrijke carrière. Het ongeluk verdween nagenoeg uit het collectieve en – opmerkelijk – uit het virtuele geheugen. Googelen resulteerde in een indrukwekkende lijst verkeersongelukken waarbij de Oranjes de afgelopen tachtig jaar betrokken zijn geweest. De enige publicatie die ik over het ongeluk kon vinden, betrof een voetnoot(je).

Het is merkwaardig dat de media dit zo hebben laten liggen, althans tot 30 december 2011. Is dit (zelf)censuur of laksheid? Ik vrees een combinatie. Journalistiek is het evenwel weinig verheffend. Een applaus voor het pr-apparaat van de professor lijkt mij op zijn plaats.

Robert van Marle

Advocaat, Amsterdam

Marktwerking bij de tandarts is schadelijk

De prijs van uw vulling wordt sinds 1 januari bepaald door de tandarts (of de keten waartoe hij behoort). Voorheen was dit de Nederlandse Zorgautoriteit. Het nieuwe idee is: de juiste prijs bij de juiste kwaliteit.

De verzekeraars hebben al een vergoedingensysteem bedacht voor tandartsen, waaraan zij zich middels een contract kunnen binden. Deze vergoedingen zouden al marktconform zijn, hoewel de markt nog moet worden geopend.

Ik ben tandarts in een gebied dat te boek staat als arm. Ik bedien deels de sociaal-economische onderkant van ons land. De afgelopen jaren heb ik veel patiënten kunnen helpen om met beperkte financiële middelen hun mond te optimaliseren. Ook de jeugdige patiënt kon tandheelkundige hulp krijgen zonder bijbetalingen. Dit was wettelijk mogelijk gemaakt.

De prijs van een vulling ligt vrijwel altijd hoger dan de prijs die de verzekeraar heeft bepaald. De tandarts moet veel zaken bijrekenen in de prijs van een vulling. De verzekeraar vergoedt nu slechts een vulling plus een beetje. Als de tandarts zich niet aan een verzekeraar verbindt, moet ook de jeugdige patiënt – of zijn ouder – de rekening van de tandarts betalen, of de tandarts zal ‘in dienst van de verzekeraar’ een prestatie leveren voor een beduidend lager bedrag.

Uit onderzoek blijkt dat jeugd uit sociaal-economisch zwakkere milieus gemiddeld een veel hogere tandheelkundige behandelbehoefte heeft. De tandarts wordt evenwel voor minder vermogende ouders onbetaalbaar of komt zelf onder financiële druk te staan. In het eerste geval gaat de patiënt niet meer naar de tandarts. In het tweede geval kan de tandarts kwalitatief slechtere zorg gaan leveren. De jeugdige patiënt met minder rijke ouders loopt dankzij de marktwerking dus een sterk verhoogd risico op tandheelkundige problemen in de toekomst.

R. Schroder

Tandarts, Bussum

Onveiligheid is niet alleen maar sentiment

In zijn column van 31 december schreef Folkert Jensma eens niet (direct) over de PVV, maar besprak hij het gevoel van onveiligheid bij burgers. Hij stelt dat justitie en politie vooral symbolisch werk doen, gezien het lage ophelderingspercentage. Kennelijk is dit voldoende. De samenleving is niet ontwricht. Hij spreekt schamper over „veiligheidsretoriek” en sluit af met: „Sentiment, het is alles sentiment.”

Ik laat het aan criminologen over te oordelen over de juistheid van Jensma’s stellingen dat de gerapporteerde criminaliteit al tien jaar daalt, evenals het aantal burgers dat zich persoonlijk onveilig voelt. In de Oudejaarsnacht werden alleen in Amsterdam al 52 woninginbraken gepleegd. Zulke gebeurtenissen raken zowel de betrokken gezinnen als hun familie, buren en vrienden.

Vorig jaar werd op Kerstavond bij ons ingebroken. Ik kan niet zeggen dat we dit jaar relaxed van huis gingen. Wordt dat onveiligheidsgevoel ook adequaat gemeten in de statistieken waarop Jensma zich baseert?

Niek van Santen

Amsterdam

Paulissen toont perverse financiële wereld

Geboeid heb ik het interview gelezen met Angelique Paulissen (24 december). Ik verschil daarover van mening met de heer R. Dijkstra (31 december).Tegen de achtergrond van de calamiteiten en blunders in de financiële wereld ben ik wel ervan overtuigd dat zij een getrouw beeld geeft van het geperverteerde klimaat binnen veel financiële instellingen – een klimaat waarin de belangen van klanten en spaarders uit beeld waren geraakt door het streven naar zo hoog mogelijke boek- en koerswinsten.

Ik ben geschrokken door wat zij vertelt over het ontbreken van risicomanagement en kennis van zaken bij de directie van het ABP in haar tijd. Dit staat in schril contrast met de daaraan voorafgaande periode van ruim vijftig jaar waarin het Rijk waardevaste pensioenen voor de ambtenaren garandeerde en door de bepalingen van de Beleggingswet de soliditeit van beleggingen zo goed mogelijk waarborgde. Investeringen in aandelen en onroerend goed waren aan strikte regels gebonden. Alle beleggingen behoefden de goedkeuring van een door de minister van Financiën benoemd college van erkende financiële experts, de Centrale Beleggingsraad.

De leiding van het ABP heeft tientallen jaren geprobeerd om onder dit regime uit te komen, met als argument dat ze beschikte over voldoende deskundigheid en onafhankelijkheid. Uiteindelijk is dit in de periode van geloof in privatisering, vrije markt en aandeelhouderskapitalisme gelukt. De beurs zou de ambtenaren lage premies en hoge pensioenen bezorgen. Quod non!

Degenen die, zonder economisch-historisch besef, in de jaren tachtig en negentig genoemde waarborgen hebben geslecht en toen een greep in de pensioenkas deden, hebben heel wat uit te leggen aan de huidige generatie gepensioneerden.

Drs. J.G. van der Beek

Oud-secretaris van de Centrale Beleggingsraad van het ABP, Zwolle

Ambtenaar heeft géén grotere bescherming

Het is jammer dat de krant meegaat met de borreltafelwijsheid dat ambtenaren een grotere ontslagbescherming zouden genieten dan gewone werknemers. Dat stond zowel in het stuk over Defensie op 29 december als in het hoofdredactionele commentaar van 30 december. Het tegendeel is eerder waar. Als de onderliggende reden deugt, is een ambtenaar vrij gemakkelijk te ontslaan. Dit baseer ik op ruim twintig jaar ervaring in dit rechtsgebied.

Het probleem is dat voor een rechtsgeldig ontslag van een ambtenaar een behoorlijk opgebouwd dossier nodig is. Hieruit moet duidelijk blijken dat de ambtenaar ongeschikt is voor zijn functie en dat er pogingen zijn gedaan hem geschikt te maken. Overigens verschilt het ambtenarenrecht hierin niet of nauwelijks van het gewone arbeidsrecht. Ook daar geldt dat hoe beter het dossier is, hoe groter de kans op succes bij een rechterlijke toetsing.

Dat dossier is doorgaans het grote probleem. Er is te weinig documentatie. Hieruit blijkt niet voldoende dat de ambtenaar zijn werk slecht doet. Hem is geen verbeterkans geboden. Er is geen behoorlijke hoor- en wederhoor geweest. De rechter rekent het – terecht – niet tot zijn taak om die tekortkomingen in het dossier aan te vullen of te sauveren.

Het is dus de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan om op basis van behoorlijk vastgestelde en gedocumenteerde feiten de correcte conclusie te trekken dat een ambtenaar ongeschikt is voor zijn functie. Gebeurt dit niet, dan gaat een ontslag – net zo terecht – van tafel.

In dit licht is het zorgelijk dat bij Defensie slechts vierduizend van de zestigduizend personeelsdossiers op orde zijn, zoals het artikel van 29 december meldt. Het is eveneens zorgelijk dat de personeelschef van Defensie het systeem wil veranderen vanwege de verkeerde redenen. Het zou hem sieren als hij eerst zijn eigen winkel eens behoorlijk schoonveegt. Precies die eigen verantwoordelijkheid vraagt het recht van bestuursorganen.

Mr. Peter Goedkoop

Jurist ambtenarenrecht, Amsterdam