Wanneer het leven beter had opgelet

Willem Brakman: Voltreffer. Samengesteld door Steven Brakman en Jan Kuijper. AFdH, 216 blz. €22,50.

Een tijdje geleden stond ik te kijken naar de rij Brakmannen in de boekenkast. Een afgesloten oeuvre, zo leek het. Welk boek zou ik nu opnieuw willen lezen, vroeg ik me af. De geestige verhalen in Jongensboek (1987)? Het autobiografische Pop op de bank (1989)? Of toch eerder De sloop der dingen (2000) over de afbraak van Duindorp, zijn kinderparadijs? Ik kwam er niet uit. De kwestie werd onverwacht opgelost, of althans uitgesteld, met de verschijning van een nieuwe Brakmantitel, ruim drie jaar na zijn dood: Voltreffer – een bundeling van 25 essays, afkomstig uit verschillende perioden.

Al Brakmans thema’s en motieven, al zijn trauma’s en obsessies, al zijn voorliefdes en ergernissen passeren hier de revue. Bart Vervaeck merkt in zijn inleiding op dat een echte Brakmanroman proza, poëzie en essay ineen is. Omgekeerd geldt voor zijn essays dat zij niet alleen beschouwend, maar ook nogal verhalend zijn. Alleen al de geweldige anekdote over de rivaliteit tussen vader en zoon Brakman, halverwege de jaren dertig, maakt deze bundel de moeite waard.

De vader, zo lezen we, had de gewoonte om bestaande kunstwerken na te schilderen. Daarmee oogstte hij veel lof van zijn vrouw. Brakman beschrijft dan hoe hij, op zijn beurt, vlekje voor vlekje, een pasteltekening namaakt die hij in een Haagse winkel heeft zien hangen. Als hij het resultaat aan zijn moeder laat zien, staat ze helemaal paf. ‘„Ach God!”, riep ze, leunde haast neerstortend ver achterover en legde vervolgens de hand op haar boezem.’ De vader staat er zwijgend bij.

Brakman zelf kon ook goed bewonderen. De roman Lolita bijvoorbeeld, van Nabokov. Anders dan velen heeft Brakman er geen moreel oordeel over. Hij ziet het als een ontroerende liefdesgeschiedenis die zich toevallig richt op ‘zo’n spriet’, maar die hij verder ‘kuis als ijs’ noemt. Iets minder vleiend is hij dan weer over Vestdijk, die hij een paar keer ontmoette. Zuinigjes merkt hij op dat het akelig donker was in zijn werkkamer, dat er ‘veel Simenons’ in zijn boekenkast stonden en dat Vestdijk weinig conversatie had. ‘Hij was zonder meer een slecht causeur.’

Brakman schreef over geliefde filosofen als Nietzsche en Adorno en over geliefde schilders als Francis Bacon en Isaäc Israëls, maar vooral schreef hij over zichzelf als een herinneraar. Hij maakt duidelijk dat ‘ware literatuur’ zich niet laat samenvatten, maar steeds opnieuw de kloof laat zien tussen werkelijkheid en verbeelding. Hij zet zich af tegen straatrumoer en ‘pingpongproza’. Volgens hem moet de literatuur het niet hebben van herkenbare taferelen, maar van schrijvers die de blik naar binnen richten en vanuit de diepte van de eigen, tegendraadse geest hun licht laten schijnen over wereld en mensheid.

Dat levert verhalen op die iets meer van de lezer vergen, maar waar ook, als het goed is, de vonken vanaf springen. Dat is precies wat we in Voltreffer steeds weer zien. Brakman drukt zich niet altijd even eenvoudig uit, maar op elke bladzijde vonkt er wel iets: een droogkomische observatie, een ironisch zelfinzicht, een wonderschone formulering.

Hij is op zijn best wanneer hij schrijft over zijn jeugd. Er zijn mooie passages over een geliefde onderwijzer, die een ‘door de klas bij elkaar gemompelde’ aandoening had, waarvoor hij regelmatig poeders moest slikken. Ook is er het smakelijk vertelde verhaal over de bal die hij op zijn tiende, argeloos lopend over de Tholenseweg in Scheveningen, onverhoeds tegen zijn hoofd kreeg. Hij ervoer die ‘voltreffer’ als een kosmische terechtwijzing, die hem vervulde met grote schaamte. Het was een ervaring die hem niet alleen ‘een dragende wond’ opleverde maar die er ook aan bijdroeg dat hij geen rondborstige Hollandse jongen werd, maar ‘een besmuikte introvert.’

Geestig is ook de beschrijving van de tweejaarlijkse zomerse bootreis naar zijn Zeeuwse familie, ‘het grote gebeuren van mijn jeugd.’ Elke keer ging hij er met gespannen verwachtingen heen. Op de herinneringen aan de reis kon hij een jaar teren. Maar tijdens de twee weken durende logeerpartij verveelde hij zich steevast stierlijk, op wat geblader in de geïllustreerde Statenbijbel na.

De ooms en tantes die hij op afstand koesterde om hun intrigerende eigenschappen, bleken in de dagelijkse praktijk wezenloze kletsmajoors te zijn. ‘Wanneer het leven beter had opgelet’, schrijft hij, ‘dan had het misschien belangrijke correcties kunnen aanbrengen, door wat vriendjes om mij heen te plaatsen [...], maar in Zeeland waren geen kinderen.’

Met de wonden die in Zeeland, Scheveningen en Den Haag werden geslagen, kon Brakman, zo blijkt ook nog maar weer eens uit Voltreffer, een heel schrijversleven en zo’n tachtig troostende titels voort.