Voor Haring geen ark, maar een roeiboot

Filosoof Bas Haring stelt dat het niet erg is als de helft van de soorten op aarde uitsterft.

Die bereidheid om de natuur te laten verslonzen toont een opvallend gebrek aan ambitie.

In 1974 kon Mauritius zich erop beroemen de allerzeldzaamste vogelsoort ter wereld te herbergen: dankzij jarenlang gebruik van de gifstof DDT waren er toen nog maar vier exemplaren van de torenvalkensoort, die op het eiland met het eten van gekko’s, kleinere vogeltjes en kakkerlakken deelnam aan de lokale samenleving van soorten. Toch stierf de vogel niet uit. Dankzij de inspanningen van een paar ambitieuze mensen heeft Mauritius op dit moment weer een gebalanceerde hoeveelheid van zo’n achthonderd torenvalken.

Sukkelaars, zou filosoof Bas Haring gezegd hebben. Hij onderzocht in zijn recent verschenen Plastic Panda’s het filosofische fundament van de stelling dat de ambitie om natuurlijke diversiteit te bewaren onzinnig is. In eerste instantie vindt hij geen argumenten tegen het laten uitsterven van individuele levensvormen: soorten zijn volgens hem grosso modo een verzinsel van natuurfanaten en zolang door menselijk toedoen niet alle vormen van leven verdwijnen is er altijd wel iets te ritselen om de door uitsterven veroorzaakte gaten in het ecosysteem te vullen.

Als Haring kortom de hedendaagse Noach zou zijn en de mens Zijn vloedgolf, dan zou hij al met een roeiboot waarin krap een rat en een stadsduif passen genoegen nemen en zich de moeite van het timmeren van een flinke ark besparen. Treuren over verdwenen diversiteit doet hij niet, want de wereld zal voor hemzelf niet onleefbaar worden wanneer gif en asfalt het aantal verschillende soorten kikkers, vogels, olifanten en tonijnen met nog eens vijftig procent terugschroeft. Eventuele problemen door bijvoorbeeld zo’n uitgemoorde Mauritiustorenvalk zijn in zijn denklijn prima te managen door ieder jaar een paar honderd Hollandse torenvalken naar Mauritius te brengen.

Op geologische tijdschaal heeft Haring natuurlijk gelijk. Zolang het enigszins mogelijk blijft, zal het leven zich door evolutie aan de nieuwe situatie aanpassen. Soorten die we nu omleggen zijn over een paar miljoen jaar vrijwel zeker weer vergeten en vervangen door andere levensvormen – de mens inclusief.

Of dat een valide argument is, valt te betwijfelen. Mensen zijn doorgaans niet geneigd het kosmisch perspectief mee te nemen, aangezien je daarmee iedere inhoudelijke discussie kapotrelativeert. Als het om het verhogen van de maximumsnelheid gaat is er geen politicus die opmerkt „dat het in vergelijking met de lichtsnelheid allemaal te langzaam is”.

Ook in engere zin is het niet volledig onwaarschijnlijk dat de eco-apocalyps gedurende Harings levensduur uit zal blijven wanneer we ongeremd tot vijftig procent van de soorten uit de biosfeer verwijderen. Helaas blijven we dan wel zitten met oncharismatische soorten die Haring minder ‘leuk’ vindt, zoals bakken insektensoorten, grassen, mossen en microscopische wormpjes. Dieren hoger op de voedselpiramide, zoals grote vissen, vogels, amfibieën en zoogdieren sterven bij ingrijpende verstoringen in het ecosysteem relatief genomen in veel grotere aantallen uit.

Dat lijkt bij Haring ook langzaam te dagen. Nadat hij met veel bombarie zijn soortenmoordstelling heeft geponeerd, krabbelt hij daar tussen de regels van de rest van zijn betoog gestaag op terug. Soorten mogen wel verdwijnen, maar met beleid: op basis van onderzoek naar de impact van dat uitsterven, en liefst met een back-up-optie van ingevroren zaden of exemplaren. Harings filosofische gedachte-experiment blijkt te botsen met de zo veel complexere ecologische realiteit.

Uiteindelijk doemen de contouren op van een verstandig, behoudend, op wetenschappelijk bewijs gebaseerd natuurbeleid, waarbij de kortetermijnbelangen van de menselijke bevolking zorgvuldig worden afgewogen tegen de risico’s van onbezonnen soortenmoorden en de langetermijnbelangen van de mens die daardoor geschaad zouden kunnen worden.

Helaas veegt Haring om zijn betoog niet te ontkrachten die nuance in zijn laatste hoofdstuk gauw onder het tapijt door te herhalen dat het niet erg is als de helft van de soorten op aarde uitsterft. Het is dan ook spijtig dat potentiële soortenmoordenaars die door hem gestelde conservatieve randvoorwaarden waarschijnlijk niet uit zijn boek zullen citeren, maar Plastic Panda’s eerder zullen gebruiken als een legitimatie van hun natuurnihilisme.

In plaats van te zoeken naar excuses om de boel te laten verslonzen zouden we ambitieus moeten zijn, maar kortetermijn-utilisten als Henk Bleker (Landbouw, CDA) geeft Harings boek vooral munitie om de ecologische diversiteit voor eigen gewin te verpatsen.

Lucas Wenniger (1981) schrijft naast zijn werk als arts-onderzoeker op het AMC over medische en biologische onderwerpen. Zijn recent verschenen boek ‘De stinkende scharrelpapegaai’ verkent aan de hand van vreemde organismen hoe het leven op aarde evolueert.