Van de kaart geveegd

Van Pruisen en de Sovjet-Unie tot Karpato-Oekraïne, Tolosa en Alt Clud – historicus Norman Davies schreef een requiem voor verdwenen Europese staten. Want juist mislukte landen geven inzicht in de geschiedenis.

Norman Davies: Vanished Kingdoms. The History of Half-Forgotten Europe. Allen Lane, 830 blz. € 34,40

Als een mattenklopper op een kleed, zo klinkt de dood van een staat. De Amerikaanse reisschrijver Michael Winch werd op 15 maart 1939 om zes uur ’s ochtends wakker in Tsjechoslowakije, in het stadje Khoest in de Karpaten. Zijn slaap was onderbroken door luid geknal buiten zijn hotel.

‘Eerst dacht ik dat ze tapijten aan het uitkloppen waren’, noteerde Winch in zijn ooggetuigeverslag. ‘Ik sprong op een keek uit het raam ... en dook meteen onder mijn bed. In een poort stond een jongen met een rokende revolver in zijn hand. Geweren knalden, en van de andere kant kwam het ra-ta-ta van een machinegeweer.’

Winch was getuige van de schermutselingen die het uiteenvallen van Tsjechoslowakije begeleidden. Terwijl nazi-Duitsland in het westen de laatste resten van Tsjechië verorberde, verklaarde Slowakije zich op 15 maart onafhankelijk. De bewoners van de streek rondom Khoest zaten die dag met een buitengewoon dilemma: bij welk land wilden ze horen? Een in allerhaast bijeengroepen vergadering van notabelen besloot na een overleg van enkele uren tot het uitroepen van de onafhankelijkheid. De Republiek Karpato-Oekraine was geboren.

De Amerikaanse gast die getuige was van dit historische moment tekende de reacties op. ‘Niemand demonstreerde, niemand zong. Niemand zelfs hief een patriottische kreet aan voor de nieuwe Republiek. Zelfs na de speeches was er weinig enthousiasme. [...] De mensen leken gedrogeerd door hun verbijstering.’

Veel tijd om van hun vrijheid te genieten was er niet voor de Roethenen, de Slavische bevolkingsgroep die na eeuwen van vreemde heerschappij eindelijk een eigen staat had gecreëerd. De volgende ochtend trok het Hongaarse leger de grens over. Hongarije was deze landstreek na de Eerste Wereldoorlog kwijtgeraakt. Met goedkeuring van Hitler werd Kárpátalya nu weer ingenomen. Toen Michael Winch op 16 maart naar bed ging, bevond hij zich in het derde land in twee dagen, zonder dat hij daarvoor een stap had hoeven verzetten.

De tragische geschiedenis van de gedoemde republiek der Roethenen is met verve opgetekend in het nieuwe boek van de Brit Norman Davies: Vanished Kingdoms. Van de vijftien verdwenen staten die door hem in dit lijvige werk aan de vergetelheid worden ontrukt, was Karpato-Oekraïne het kortste bestaan gegund. Niet meer dan een dag.

Davies (1939), verbonden aan de universiteiten van Krakau, Oxford en Cambridge, maakte naam met historische studies over Polen (God’s Playground), Groot-Brittannië (The Isles) en Europa (Europe). In Vanished Kingdoms duikt hij opnieuw de Europese geschiedenis in, maar richt hij de schijnwerper op staten die het verstrijken van de tijd niet hebben overleefd. Sommige zijn bekend: Bourgondië, Pruisen, de Sovjet- Unie. Andere zijn al bijna helemaal verdwenen in de nevelen van het verleden: Tolosa, Alt Clud, Etrurië.

In zijn inleiding legt Davies uit waarom hij aandacht besteedt aan deze staten. Omdat de meeste historici schrijven vanuit hun visie op het hier en nu, verschijnen er voornamelijk boeken over landen die nog bestaan en over gebeurtenissen waarvan iedereen het erover eens is dat ze een bepalende stempel op het heden hebben gedrukt. Dat leidt tot eenvormigheid.

Davies constateert vol afkeuring dat er in 2010 alleen in het Verenigd Koninkrijk al 380 boeken over het Derde Rijk zijn verschenen. Hij spreekt van een ‘verslaving’ bij schrijvers en publiek aan de ‘Grote Machten’ van de geschiedenis. Wie door dit prisma naar het verleden kijkt, doet zichzelf tekort, vindt hij. ‘In werkelijkheid is het leven veel complexer; het bestaat zowel uit mislukkingen en dappere pogingen die het net niet haalden, als uit triomfen en successen.’

En daarom duwt Davies in Vanished Kingdoms het achtergrondkoor van de geschiedenis naar het midden van de bühne. En daar staan ze dan: de Visigothen, Savoyaards en Bourgondiërs die werden opgeslokt door Frankrijk. En de talloze volkeren van Oost-Europa – onder meer Letten, Pruisen, Wit-Russen, die zuchtten onder de laars van de Duitsers, Oostenrijkers en Russen.

Davies schrijft ook uitgebreid over het Pools- Litouwse Gemenebest, dat ontstond in 1569. Op dat moment was deze unie van koninkrijk en groothertogdom de omvangrijkste staat van Europa, met een bestuurssysteem dat uitermate democratisch was vergeleken met het absolutisme dat hoogtij vierde in de omringende landen waar Hohenzollern, Habsburgs en Romanovs de scepter zwaaiden.

Een recept voor succes was het Poolse model niet: twee eeuwen en drie delingen later was de staat van de kaart verdwenen.

Gezien zijn affiniteit met de Poolse historie is het niet vreemd dat Davies op zoek gaat naar de sporen die dit gemenebest heeft nagelaten in de geschiedenis. Daarbij winkelt hij soms selectief in de feiten. In een poging om aan te tonen dat er in het Pruisen van rond 1930 nog best iets te merken was van het meer democratische Poolse verleden, noteert hij dat maar weinig nazileiders uit Oost- Pruisen afkomstig waren en dat in de hoofdstad Köningsberg de NSDAP bij de laatste vrije verkiezingen niet meer dan 36 procent van de stemmen kreeg. Daarbij maakt hij wel een kanttekening: sommige ideeën van de nazi’s, zoals het concept van Lebensraum, ‘resoneerden’ in Pruisen.

Dat is een understatement. Wat Davies namelijk verzuimt te vertellen is dat bij de Reichstagverkiezingen van 5 maart 1933 de nazi’s hun beste scores (meer dan 55 procent) haalden in kieskringen Oost- Pruisen, Pommeren en Frankfurt a/d Oder. Het is een feit dat het oude hart van Pruisen van alle Duitse landstreken het positiefst stond tegenover de nazi’s.

Een foutje, zoals er in het hoofdstuk over ‘Borussia’ nog wel meer staan. (Een koning Frederik IV heeft Pruisen bijvoorbeeld nooit gehad, wel een Frederik Willem IV.) Dat kan gebeuren; wie over zoveel verschillende staten en staatjes feiten en feitjes moet presenteren, is afhankelijk van het werk van andere historici en zal soms een vergissing maken bij het lezen.

Davies was zich bewust van dit gevaar, zo blijkt uit zijn inleiding. Daar betuigt hij zich schatplichtig aan generalisten als A.J.P. Taylor – die ‘onbegrensd en onbevreesd zwierf’ door de geschiedenis – en Hugh Trevor- Roper. Deze laatste beschreef in een essay zijn afkeer van specialisten die zich terugtrekken achter een ‘Maginot-linie’ en van daaruit alle ‘amateurs’ neerschieten die ‘een blunder’ begaan op hun vakgebied. Dat zijn geen echte historici, vindt Trevor-Roper. Om zijn kijk op de geschiedenis te testen, moet een historicus ‘naar het buitenland durven reizen, zelfs naar vijandelijk gebied’.

In Vanished Kingdoms gaat Davies deze moeilijke reis door het Europa van de afgelopen tweeduizend jaar onverschrokken aan. De lezer die met hem meereist en zich niet laat ontmoedigen door de soms wel heel aanzienlijke feitendichtheid en wijdlopigheid van dit boek, vindt in de Brit een begeesterd gids. Er is geen hertogdom zo klein, of Davies weet er wel een verhaal over te vertellen dat de moeite waard is. En dat smaakt naar meer.

Hoewel elk geval natuurlijk uniek is, komt Davies uiteindelijk tot vijf verschillende manieren waarop een staat (hoe je dat begrip ook precies definieert) aan zijn einde kan komen: implosie, verovering, fusie, opheffing en ‘kindersterfte’. Tot de eerste categorie behoort de Sovjet-Unie, de volgende categorieën zijn respectievelijk van toepassing op (onder meer) Bourgondië, het hertogdom Savoye-Piëmont, het koninkrijk Montenegro en de Republiek Karpato-Oekraïne.

In zijn conclusie citeert Davies met instemming Thomas Hobbes en Jean-Jacques Rousseau. ‘Niets kan onsterfelijk zijn, wat door sterfelijken is gemaakt’, zegt Hobbes in Leviathan over de levensduur van staten. En Rousseau in zijn Du contrat social: ‘Als Sparta en Rome ten onder gingen, welke staat mag dan hopen voor eeuwig te bestaan?’ Davies onderstreept deze gedachten met zijn boek, dat gelezen kan worden als een memento mori voor iedere staat, hoe succesvol die op dit moment ook zijn mag.

In interviews heeft Davies gezegd dat het hem niet zal verbazen als ook Groot-Brittannië en de Europese Unie op een gegeven moment zullen verdwijnen. „Als een rijk sterft, dan komt er weer een nieuw rijk voor in de plaats”, zei hij onlangs in een gesprek met deze krant. „Dat is helemaal niet slecht.”

Dat geldt misschien voor het verdwijnen van de abstracte entiteit ‘EU’, maar uit Vanished Kingdoms blijkt dat de teloorgang van een staat vaak gepaard gaat met ellende en bloedvergieten. Wie Davies’ boek leest, kan niet anders dan met grote zorgen kijken naar het huidige gekrakeel in Brussel. Mocht het ooit mislopen met de landen die nu ‘Europa’ vormen, dan is het te hopen dat er over een paar eeuwen een historicus beschikbaar is van Davies’ kaliber om de puinhopen te overzien. Want hoewel niet foutloos, heeft hij met Vanished Kingdoms een indrukwekkend boek geschreven over de verliezers van de geschiedenis. Een requiem dat bruist van het leven.