Raak observator greep in intieme foto's de juiste details

De Amerikaanse fotografe Eve Arnold werkte als eerste vrouw voor het gerenommeerde fotoagentschap Magnum.

Haar grootste troef waren de portretten die ze maakte van onder anderen Marilyn Monroe en Malcolm X.

„Ik werkte zonder studio en maakte geen gebruik van extra belichting. Ik werkte op een manier waarbij ik mensen niet afschrikte door allerlei zware spullen mee te sleuren. Het was gewoon dat kleine zwarte doosje en ik.” Simpel en effectief, zo ging Eve Arnold, de Amerikaanse fotografe die gisteren, kort voor haar honderdste verjaardag, stierf in een verzorgingstehuis in Londen, te werk. Haar werkwijze leverde prachtige portretten op, vooral van beroemdheden als Marilyn Monroe, Paul Newman, Elizabeth Taylor, Margaret Thatcher, Joan Crawford en Malcolm X.

Arnold, dochter van Joods-Russische immigranten, werd in 1912 geboren in Philadelphia. Ze begon pas op latere leeftijd met fotograferen. Tijdens haar werk in Long Island bij een fotolab kreeg ze steeds meer belangstelling voor fotografie. Ze volgde een cursus van zes weken en slaagde er daarna in om te publiceren in bladen als Picture Post, Time en Life. Eind jaren veertig studeerde ze – samen met Richard Avedon – fotografie bij de beroemde fotograaf en ontwerper Alexej Brodovitsj aan de New School for Social Research in New York.

Haar eerste fotoreportage bestond uit een reeks beelden die ze maakte van een Afro-Amerikaanse modeshows in Harlem in New York. Door dit project kreeg zij vervolgens direct toegang tot Malcolm X, een van de leiders van de religieuze en politieke beweging Nation of Islam, die suprematie van het zwarte ras voorstond. Arnold was steevast de enige blanke persoon op de bijeenkomsten van de Nation of Islam. Op een van de samenkomsten fotografeerde ze het bezoek van George Lincoln Rockwell, de leider van de Amerikaanse nazi’s.

In een interview in 1996 met de BBC vertelt ze hoe Rockwell haar, vanwege haar joodse afkomst bedreigde. „Hij zei dat hij een stuk zeep van me zou maken.” Ook vertelt ze hoe ze, toen ze Malcolm X vergezelde naar een bijeenkomst in de straten van Harlem, werd achtervolgd door een vrouw die tegen haar riep „Kill the white bitch, kill the white bitch!”

Toen Arnold later die avond naar huis ging om de films te ontwikkelen, kwam ze erachter dat er vanachter grote schroeiplekken in haar vest zaten. Mensen hadden hun sigarettenpeuken op haar rug uitgedrukt. Omdat ze zo hard aan het werk was, had ze niks gemerkt. Op de vraag van de interviewster of ze niet bang was zei Arnold: „Angst kende ik eigenlijk op het moment zelf niet. Pas achteraf kon ik wel eens de rillingen krijgen. Maar wat me altijd heeft gedreven is nieuwsgierigheid. Zelfs angst was onderdeel van die nieuwsgierigheid, het hoorde bij mijn reactie op verschillende prikkels.”

Arnold was de eerste vrouwelijke fotografe die mocht werken voor Magnum, het gerenommeerde fotoagentschap, waar ze in 1951 toetrad en in 1957 officieel lid van werd. Ze kende hierdoor beroemde fotografen waaronder Magnum-oprichters Robert Capa en Henri Cartier-Bresson. Vooral de laatste was onder de indruk van haar fotografische talenten.

Arnold maakte in haar leven zeer gevarieerd werk, maar zal vooral herinnerd worden voor de vele intieme foto’s die ze maakte van de Amerikaanse actrice Marilyn Monroe.

Arnold werkte gedurende tien jaar met Monroe. Ze fotografeerde haar uitvoerig in 1961 op de set van de laatste film die ze maakte voor haar dood, The misfits.

Beroemd is haar foto van Monroe, terwijl die in het damestoilet voor de spiegel staat. Arnold staat achter haar, een klein stukje van haar onderbroek is net zichtbaar.

Over haar gave om juist dit soort kleine intieme momenten te vangen, vertelde ze de BBC: „Je bent er om iets te observeren, en je moet een goede reflex hebben. Als je dan iets ziet, dan grijpt het je en dan moet jij het vervolgens weer grijpen.” Arnold noemde Monroe ‘een uitzonderlijke vrouw’. „Ze had zowel kwetsbaarheid als kracht. (...) Ze hield erg van de camera. Ze zei geregeld tegen me ‘Let’s make a Marilyn’. Dan liep ik met haar over straat terwijl ze er rommelig uitzag: haren ongekamd, een flodderige sweater. Maar dan ineens, uit het niets, rechtte ze haar rug en werd ze zomaar Marilyn Monroe.”

In 1960 verhuisde Arnold, samen met haar zoon Frank Arnold, naar Engeland, waar ze de rest van haar leven doorbracht. Vanuit haar thuishaven reisde ze de wereld over, onder meer in opdracht van Sunday Times Magazine.

In de jaren zeventig en tachtig trok ze de hele wereld over, onder meer naar Dubai en Afghanistan. Ze was in die jaren ook een van de eerste westerse fotografen om China te bezoeken. Een expositie van dat werk werd in 1980 getoond in het Brooklyn Museum in New York. In datzelfde jaar ontving ze een Lifetime Achievement Award van de Amerikaanse Vereniging van Tijdschriftfotografen. In 1993 werd ze uitgeroepen tot ‘meesterfotograaf’ door het International Center of Photography in New York. Ook werd ze gedecoreerd in Groot-Brittannië met een ‘Order of the British Empire’.

Arnolds’ werk is inmiddels opgenomen in verschillende museumcollecties. Over het feit dat ze altijd onderweg was en daardoor niet in staat een thuis te creëren, zei de fotografe het volgende: „Je bent er niet en dat is het meest pijnlijke van alles. Ik moest altijd huilen als ik weer in een vliegtuig stapte om ergens heen te gaan. Maar het kwam nooit bij me op om thuis te blijven.”

Op 21 april zou Eve Arnold honderd jaar zijn geworden. Ze heeft deze datum net niet gehaald. Lang woonde ze in de Londense wijk Mayfair, maar toen haar gezondheid achteruit ging, werd ze opgenomen in een verzorgingstehuis. Daar werd ze twee jaar geleden nog geïnterviewd door actrice Angelica Huston. Op de vraag of ze nog fotografeerde, antwoordde ze: „Dat is voorbij. Ik kan geen camera meer vasthouden.” In plaats daarvan bracht ze haar tijd door met het lezen van Tolstoj, Thomas Mann en Dostojevski.