opinext@nrc.nl

Het meest interessant aan de lijkrede op het graf van Nationaal Historisch Museum (NHM) van directeur Erik Schilp is misschien wel de redactionele mededeling aan het eind. Schilp heeft persoonlijk aan Bas Heijne verzocht dit essay te schrijven, ter gelegenheid van de sluiting van het museum (Opinie, 4 januari). Waarom wil Schilp dat een man van statuur als Heijne zijn historische kist met een mooi filosofisch stuk plechtig voor eeuwig laat zakken? Waarom fungeert deze krant zelf als slippendrager? Het is allemaal wel heel opmerkelijk.

Ook opvallend is dat Heijne vele diepzinnige oorzaken van de teloorgang aanwijst, maar de hooghartige hoofdrol van Schilp zelf geheel buiten beschouwing laat. Zo negeerde Schilp botweg de bewuste keus van zijn hoge opdrachtgever om het museum neer te zetten in Arnhem. Dat was niet de plaats en de sfeer van hem en zijn elite. Met die opstelling ging het pas echt fout. Het zaad van onvrede werd gezaaid.

Het lijkt erop dat Schilp na het 15 miljoen euro kostende debacle geen behoefte heeft aan een succesvolle tweede acte van deze tragikomedie, waaraan nu wordt gewerkt. Na de afgang van zijn onbegrepen meesterstuk kan een aanpak die succes heeft, toch niet mogelijk zijn? Dan wordt het bewijs van zijn falen toch alsnog geleverd? Vandaar zijn opmerkelijke verzoek om een grafschrift van het NHM. Hij laat zijn gedrag door een ander wegmoffelen, in een fraai betoog. Nederig stilzwijgen zou passender zijn geweest.

Paul Scholten

Voormalig burgemeester van Arnhem

Artikel 120

Columnist Chrisitiaan Weijts schrijft: „straks is de gang van burgers naar de rechter een normale fase van een wetgevende procedure (...) Zo wordt de rechtszaal het afvoerputje voor alle omstreden wetgeving” (Opinie, 5 januari). In de meeste westerse landen is dat echter niet nodig. Met uitzondering van Nederland en Finland kennen de meeste landen zoiets als toetsingsrecht, waarmee wetsvoorstellen van de wetgevende macht getoetst worden door de rechtsprekende macht. Echter, in Nederland is in artikel 120 van de grondwet vastgelegd dat de rechter niet in beoordeling treedt tegen de grondwettigheid van wetten en verdragen. Gevolg is dat het aan het electoraat is om met burgerinitiatieven wetsvoorstellen te toetsen op hun wetmatigheid. Hoe doe je dat dan? Simpel je klaagt de Staat aan. Wordt het niet eens tijd voor een herziening van artikel 120 en de mogelijke invoering van een constitutioneel hof in Nederland?

Simon van Oort

Student aan University College Utrecht

Brieven en opiniestukken kunt u sturen naar opinext@nrc.nl