Natte voet'n

De vraag is waar ik me drukker over moet maken: de dreigende doorbraak in onze pensioenen of in onze dijken? Mag ik als direct belanghebbende voor de pensioenen kiezen? Mijn intuïtie zegt dat het daar wérkelijk fout gaat.

Over de dijken ben ik optimistischer gestemd. Pas vanmorgen begon het echt een beetje dreigend te klinken, toen vier Groningse dorpen ontruimd moesten worden. Vervelend voor al die bewoners, maar toch bleef de ondertoon in hun reactie: het zal wel meevallen, ze doen het ‘voor alle zekerheid’.

Die nuchterheid van de Groninger belette mij gisteren steeds om de dreiging van een watersnoodramp al te serieus te nemen. Als we vooral de audiovisuele media moesten geloven, was het bijna zover. Alles wat een camera en een perskaart mocht dragen, leek uitgerukt naar de bedreigde gebieden. We moesten ons op het ergste voorbereiden, de dijken bij het Lauwersmeer werden nauwlettend in de gaten gehouden, het gevaar was nog lang niet geweken, alleen de balgstuw kon nog redding brengen.

Maar elke keer dat ik op mijn knieën wilde zinken om voor mijn landgenoten in het Noorden een schietgebed te bidden, verscheen er een Groninger in beeld die licht geamuseerd zei: „Het is weer eens wat anders, hè, er gebeurt hier weer eens wat.” Of, met enige weemoed: „In de jaren tachtig stond hier alles onder, in de kerk’n zaten alleen vrouw’n en kindr’n, de mann’n moest’n help’n.”

Wat ook erg aan de geloofwaardigheid van de berichtgeving knaagde, was de weigering van de bewoners van die polder bij Tolbert om hun huizen te verlaten. „Maar twee gezinnen en één hobbyboer zijn vertrokken”, meldde een moedeloze verslaggever. Een collega van een concurrerend station hield het op „twee hobbyboeren en één gezin”.

Ik kon me de groeiende ontreddering van de verslaggevers wel enigszins voorstellen. Je bent voor dag en dauw naar het Noorden vertrokken, uitgezwaaid door een enkele meewarige collega („blij dat ik de pensioenen mag doen”), maar in ieder geval nog in de volle overtuiging dat je jouw journalistieke bijdrage gaat leveren aan, zoals een nieuwslezeres het gepassioneerd formuleerde, „zo’n dag waarop Nederland moet doen waarin het zo goed is: de strijd tegen het water”. Vervolgens sta je tegenover een Groninger die zegt: „Ik heb hier nog nooit geen natte voet’n gehad.”

Ik zou het geen enkele verslaggever hebben kwalijk genomen als hij had gereageerd: „Stérf met je natte voet’n, ik ga terug naar moeder de vrouw in het west’n.”

Vergeleken met die noorderlingen zijn wij, in de rest van het land, watjes. We worden meteen hysterisch. Ik denk aan die wethouder in Tiel die trots meldde dat „een deel van Tiel” ontruimd was. Vervolgens bleek dat hij een parkeerterrein bedoelde waar drie auto’s en één scootmobiel (of drie scootmobielen en één auto) hadden gestaan. Ik denk ook aan mijn eigen vrouw die ’s avonds geschrokken thuiskwam „omdat ze bijna de gracht was ingewaaid”. Een Groninger zou gezegd hebben: „Leuk zo’n grachtje zo dichtbie hoes.”

Nee, dan die pensioenen. Vanmorgen zat ik in mijn ochtendkrant de lijst te bestuderen van de pensioenfondsen die in grote nood verkeren. „Zijn wij erbij?” vroeg mijn vrouw. „Jazeker”, kon ik haar melden, „de kans op korting is groot.”

Op tv verscheen intussen een nieuwslezer met het laatste nieuws over Groningen, maar wij dachten even alleen maar aan onze eigen natte voet’n.