Met God van Krim tot Canada

Een speurtocht naar een mennonieten-familie, gevlucht voor wereldse geneugten, levert fraaie geschiedschrijving op.

Arlette Kouwenhoven: De Fehrs. Kroniek van een Nederlandse mennonietenfamilie. Atlas, 248 blz. €24,95.

Een jaar of tien geleden ontdekte Nederland – eerst de AIVD, toen de politiek – dat zich ook hier een puriteinse islamitische sekte ophoudt die zich salafy of salafisten noemt. Zij nemen de openbaring in de Koran letterlijk en willen terugkeren naar het geloof der ‘vrome vaderen’ (salaf al-saleh), de gemeente van Mohammed en zijn eerste opvolgers. Ze kleden zich opvallend en mijden de omgang met seculiere medeburgers, christenen en minder rechtzinnige moslims. Nederlanders vinden hen griezelig. Toch is deze opvatting – dat je de geloofsbeleving van de gemeente alleen zuiver houdt door de omgang met ongelovigen te mijden en door afvalligen in eigen kring in de ban te doen – niets nieuws hier te lande.

Salafisten doen denken aan de scherpslijpers van de Europese Reformatie, de mennonieten. Zij waren volgelingen van Menno Simons (1496-1561), een ex-priester en doopsgezind voorganger in het Friese Witmarsum. Doopsgezinden of wederdopers waren tegen de kinderdoop – zij vonden daar geen bevestiging voor in de Bijbel – en wensten een ‘geloofsdoop’ met gelijktijdige belijdenis voor volwassenen. Simons ging verder. Hij was er niet van overtuigd dat het brood van het Laatste Avondmaal echt het lichaam van Christus was. Tegelijkertijd distantieerde hij zich van het gewelddadige fanatisme van sommige wederdopers, dat tot uitbarsting kwam bij de opstand in het Duitse Münster (1534-1535).

Simons predikte geweldloze afzondering van de wereld voor zijn gemeenschap van ‘wedergeborenen’. Voor hen was God het hoogste gezag en het Evangelie de opperste wet. Overheden wensten ze alleen te gehoorzamen als die handelden naar christelijke beginselen. Menno leerde dat de ware gemeente zich onderscheidt door zich te spiegelen aan de levenswandel van Christus. Leven ín de wereld, maar niet ván de wereld was zijn motto.

‘Ban en mijding’

Om zijn ideaal te handhaven stelde Simons tuchtmaatregelen in als ‘ban en mijding’ – uitstoting en een verbod op omgang met uitgestotenen. Dat was voor een sociaal geïsoleerde gemeenschap, die het moest hebben van onderlinge bijstand, een effectief middel tot disciplinering. Het kreeg in de loop der tijd menig afgedwaald schaap, na boetedoening, terug in de kudde. Maar het leidde ook tot scheuringen als een deel van de gemeente – soms de meerderheid – de afzondering van de wereld opgaf of boog voor de wetten van het land.

In Nederland waren de meeste mennonieten aan het begin van de 19de eeuw gezwicht voor welvaart, vaderlandsliefde en de beginselen van de Verlichting. De rechtzinnigen waren intussen naar elders getrokken, waar de verleidingen minder groot waren of waar overheden zich niet inlieten met de aangelegenheden van de gemeente.

Zo is het verhaal van de van oorsprong Nederlandse mennonieten of menisten een epos van voortdurende migratie, van Nederland naar Polen, van Polen naar de Oekraïne, van Rusland naar Canada, en verder zuidwaarts, naar Mexico en Bolivia.

Arlette Kouwenhoven is antropoloog en een freelance journaliste. Een jaar of wat geleden kwam zij op het spoor van een familie van meniste boeren in het noorden van Mexico, die nog steeds Plautdietsch (platdiets) spreekt, een Nederduits dialect dat sinds de late Middeleeuwen als handelstaal werd gesproken van Vlaanderen tot Finland.

Hun familienaam luidt Fehr. Na vasthoudend archiefonderzoek ontdekte Kouwenhoven dat deze Fehrs in rechte lijn afstammen van Jacob Jansz. de Veer (1556-1615), een Amsterdamse mennoniet die in 1612 met zijn vrouw en zeven kinderen naar Danzig in Polen trok. Daar vestigde hij zich als handelaar in graan uit het Oostzeegebied. Arlette Kouwenhoven volgde het spoor van zijn nazaten, leden van de welvarende mennonietenkolonie in de delta van de Weichsel, die zij indijkten en onder de ploeg brachten. Andere familienamen in die gemeenschap waren Wiebe, Wiens, Klassen en Friesen.

Dienstplicht

Na de Poolse deling van 1772 ging het polderland van de mennonieten deel uitmaken van Pruisen, een veel bemoeizuchtiger staat die hun niet langer vrijstelling wilde verlenen van dienstplicht. Enkele honderden families gingen in 1789 in op het aanbod van de Russische tsarina Catharina II om gratis land te bebouwen in het noorden van de Krim. Onder hen was ene Benjamin Defehr, een nakomeling van de oude Jacob. De stroom pioniers groeide aan en er ontstonden in het zuiden van de Oekraine verschillende bloeiende mennonietenkolonies. Maar binnen een eeuw zouden ook die gemeenschappen de druk ondervinden van een staat, de Russische deze keer, die de nieuwkomers wilde assimileren.

Een groot deel van de gemeenschap wilde zijn toegenomen welvaart niet opgeven en zag de voordelen van een schikking met de overheid. Maar de ‘ware gelovigen’ zwichtten niet en in 1874 trokken de eerste families naar de prairies van Canada. Onder hen de 16-jarige Jacob Fehr III, stamvader van de Amerikaanse Fehrs. De kroniek eindigt in Sabinal, een mennonietenkolonie in de Mexicaanse deelstaat Chihuahua, op het moment dat er weer een Jacob Fehr wordt geboren en een groepje overweegt verder zuidwaarts te trekken.

De Fehrs is een fraai staaltje journalistieke geschiedschrijving, zorgvuldig gedocumenteerd, maar opgeschreven als een lopend verhaal. De lezer moet wel eens terugbladeren, want alle De Veers, Defehrs en Fehrs heten Jacob, Isaac, Cornelius en Gijsbert of Maria, Anna, Sara en Helena. Maar het leestempo gaat weer rap omhoog bij de briefwisseling tussen voorgangers in Danzig en Amsterdam over de prangende kwestie of het dragen van pruiken wel of geen ijdel vertoon is. Of bij de controverse tussen de mannenbroeders in Mexico over het verbod op rubberbanden voor tractors. Met rubberbanden zijn de geneugten van de stad immers binnen bereik.