Het innige, dit oogenblik

De dichter J.H. Leopold, leraar klassieke talen aan het Erasmiaans gymnasium in Rotterdam, kreeg wel eens leerlingen op bezoek. Hij legde dan, zo herinnerden die leerlingen zich later, een sprankelend talent voor conversatie aan de dag, hij was een voor jonge mensen overweldigend aantrekkelijke persoonlijkheid, door zijn esprit, zijn fijngevoeligheid, zijn vermogen om gewone dingen betekenisvol te laten zijn.

Neerlandicus J.D.F. van Halsema, werkend aan een biografie van Leopold, reconstrueert in zijn boekje De kamer van Leopold zo precies mogelijk dergelijke bezoeken. Zo citeert hij Leopolds jonge vriend en leerling Jan Sjabbo Brouwer, die een herinnering ophaalt over een avond in 1916 dat Leopold op de piano stukken uit Tsjaikowsky’s Kinderalbum speelde, onder meer ‘de zieke pop’: ,,(…) tranen stonden in zijn oogen. ‘Wat moet dat toch een geest geweest zijn Brouwer; als een kinderverdriet zóó’n betekenis voor je kan hebben, dan ben je te benijden.’”

Dat is interessant. Leopold denkt dus zo, dat hoe meer en hoe dieper je voelt, hoe meer je te benijden bent.

Zijn uitspraak maakt je er overigens ook van bewust hoe vanzelfsprekend we het vinden om kinderverdriet onbelangrijk te vinden. Waarom eigenlijk? Waarom is verdriet om een pop, of zelfs om een eerste liefde in onze ogen niet zo belangrijk?

Omdat wij weten dat er nog zoveel komt, dingen die wij belangrijker vinden. Maar wanneer is iets belangrijk? Wanneer het heel diep ondergaan wordt, of wanneer het hoog scoort op de schaal van belangrijke dingen?

Dat klinkt retorisch, maar zo’n makkelijke vraag is dat niet. Hoe voor de hand het ook, als je het zo zegt, lijkt te liggen om te antwoorden ‘als het heel diep ondergaan wordt’, het zou toch niet zo gemakkelijk zijn om te beweren dat het ontroostbare kind met zijn weggeraakte teddybeer, een even serieus te nemen verdriet onderging als de ouder wiens kind overlijdt, om maar eens iets te noemen waarvan iedereen het erover eens is dat het heel ingrijpend is.

Tellen we dus misschien niet alleen de diepte van het verdriet, maar ook de duur ervan en de gevolgen ervan voor je leven?

Vast. Maar hoe weten we zo zeker dat dat oprechte verschrikkelijke verdriet omdat een knuffel, een pop, een lievelingslapje, zoek geraakt is, niet zo erg is? Niet zo diep ingrijpt? Niet zo lang duurt?

Alleen maar omdat we er achteraf om kunnen lachen. Ach ja die pop. Dat gaf toch eigenlijk niets.

Maar eerlijk is eerlijk, menig later geleden verlies, van personen om wie je echt in de rouw geweest bent, gaat ook over. Sommige vrienden, alweer twintig jaar geleden gestorven, mis je niet meer. Het doet er niet meer toe dat ze er niet meer zijn.

Maar je zult nooit zeggen: ,,Ach ja die Berend. Dat vond ik toen zo erg!” en vertederd lachen om je domme, onnozele zelf van toen.

En wat voor iemand was Leopold, om zo getroffen te zijn door het vermogen om getroffen te worden van iemand anders. In het citaat klinkt het alsof hij Tsjaikowsky dat vermogen benijdt, en dus denkt dat hij dat zelf minder heeft. Tegelijkertijd kan alleen iemand die weet heeft van het bestaan van deze gevoelige ontvankelijkheid, er zo door getroffen worden, zou je zeggen. Anders sta je er niet bij stil.

Maar ook daar zit nog wel nuance in. Je kunt soms aanvoelen dat iemand dieper door iets schijnbaar onbeduidends geraakt is dan je zelf bent. Dan denk je: die is sensitiever dan ik. En inderdaad benijd je hem of haar daar dan om. Omdat in die grotere gevoeligheid ook een dieper besef lijkt te zitten van de oneindige nuanceringen van het leven. Dat er geen eind is aan de verfijningen en dat, wie even denkt van wel, wie onverschillig en onaangedaan is, minder leeft dan degene die steeds ziet en voelt dat er meer is op te merken.

Is het zoiets?

Ik herlas meteen Leopolds gedicht ‘Kinderpartij’ nog maar weer eens. Wat gevoelige ontvankelijkheid betreft schiet dat niets te kort. Het gedicht laat kinderen in een reidans om een jarig meisje cirkelen en richt zich dan op het meisje dat een dromerig middelpunt is en in zichzelf verzinkt, steeds dieper, en daar dingen aantreft die uiterst nauw met haarzelf zijn verbonden, even nauw „als wat ze als laatste in zich vond,/ het eenige onbetwijfelbare,/ het voelen van het eigen ik,/ het innige, dit oogenblik/ zichzelve overdenkend”.

Ja zo kan dat zijn, het ik dat zichzelf overdenkt. Je kunt zoiets eigenlijk niet zeggen, want wie is dan het ik en wie zichzelf, maar het kan wel gebeuren, dit levendig verzinken in zichzelf en daar van alles aantreffen. Een tienjarig meisje is het, en Leopold geeft het grote betekenis, dit ogenblik daar te midden van die zingende kinderen die langzaamaan veranderen in de uren, ‘de Getijden zelve’ en dan als het ware oplossen.

Ja, als zoiets, een kinderspel op een verjaardag, een moment van kinderlijke inkeer, zó’n betekenis voor iemand heeft, dan is die wel te benijden.