Gedichten schrijven in 'een psychotische gerichtheid'

Bernardo Ashetu: Dat ik je liefheb. Keuze en nawoord Michiel van Kempen. In de Knipscheer, 126 blz. €19,50.

Soms loop je ‘s nachts in een straat en dan zie je iets vreemds. Dat overkwam ook Bernardo Ashetu. ‘In de smalste straat / van de stad / vond ik ‘s nachts / een zuigende boor.’ Het is geen gewone boor, maar een boor ‘besmeerd met suiker / gewonnen uit suikerriet.’ Hij zuigt ‘een bruine vloeistof’ op.

Gaat het hier om een suikerspinkraam? Of om een aardolie-installatie? Of laat de dichter, al dan niet onder invloed, verschillende beelden door elkaar lopen? En dan komt er ook nog een magisch element bij.

Misschien zitten we hier wel dicht bij de onderwereld. De bruine vloeistof zag eruit als ‘een walmende stroop / waarin dode handen / lagen, opgeheven naar / een oude Azteekse god.’

Dit is de poëzie van Bernardo Ashetu: surrealistische sfeer, veel verschillende invallen tegelijk, associatieve sprongen.

Dat zorgt voor raadselachtige gedichten. Het is moeilijk om er greep op te krijgen. In een ander gedicht deelt hij ons mee een landhuis te hebben gekocht.

‘Het is groot / en ligt in een waas van kleuren aan een mysterieuze grens.’ In het water ‘bloeit een aan de wiskunde verwante bloem.’ Ik heb geen idee om welke bloem het hier gaat (de lelie van Pythagoras?) en misschien moet je dit soort poëzie dan maar schouderophalend opzij leggen, maar dat lukt mij niet. Daarvoor moet ik er toch te vaak om grinniken.

Bernardo Ashetu is het pseudoniem van de Surinaamse dichter Hendrik George van Ommeren (1929-1982). Hij publiceerde één dikke bundel poëzie: Yanacuna, in 1962, met maar liefst 205 gedichten. Hij bleef daarna schrijven. Hij stelde zo’n dertig bundeltjes samen, maar daarvan werd er niet één meer gepubliceerd. Michiel van Kempen heeft nu een bloemlezing van ruim honderd gedichten uit zijn werk gemaakt.

Ashetu bracht een groot deel van zijn leven door op zee, als marconist. Vanaf de jaren zestig werkte hij bij Radio Holland, in IJmuiden. Dat klinkt romantisch, maar uit de biografische schets van Van Kempen begrijpen we dat Ashetu een zwaar leven heeft geleid. Zijn vader moest niets van hem hebben; hij beschouwde hem als een mislukkeling, in alle opzichten.

Zijn vrouw werd vroeg invalide. En hij zelf kreeg steeds meer last van ‘een bepaalde psychotische gerichtheid’, zoals zijn zus het noemde. In 1975 werd hij afgekeurd.

Zijn wonderlijke gedichten zijn altijd kort, zonder rijm en zonder vaste vorm. Het is poëzie van losse waarnemingen. Soms nemen ze de vorm aan van simpele liedjes, licht en kinderlijk, maar meestal zitten er gaten in. ‘Een directe neerslag van ervaringen is altijd afwezig’, zegt Van Kempen.

Ik denk dat het niet zou opvallen als je een paar Ashetu-gedichten zou verknippen en fout aan elkaar zou plakken.

Spreken wij dus van een minor poet: klein oeuvre, kleine gedichten, heel goed in de kleine waarneming: scènes op zee, een portret van een oliemagnaat, het nachtleven in de kleine straatjes, al dan niet met zuigende suikerboren. ‘Ik floot als nooit / tevoren en at kandij / in een vreemd café.’