De ene violist koestert zijn koppige 'Strad', de ander versmaadt hem

Welke viool zou u kopen, als u naar een instrument op zoek was? De betere bouwer heeft rekken vol, u noemt uw prijs en in ‘chambre séparée’ volgt een merkwaardig intieme vorm van speed daten (aanraken toegestaan) tussen mens en instrument. Net als bij het proeven van wijnen is de eerste snif vaak de duidelijkste. Hoor, wat een warmte in het middenregister! Lekker ook, die g-snaar. Maar de hoogte is schriel. Die dan? Eh… voor wie van oranje lak houdt, misschien?

Voor de meeste violisten, ook die in de betere orkesten, is een echt ‘topinstrument’ onhaalbaar – ondanks donaties van vriendenverenigingen die vaak veel mogelijk maken. Echte topviolen – Stradivariussen, Amati’s, Guarneri’s of Guadagnini’s – kosten miljoenen. Vaak zo’n drie à vier miljoen, maar op een liefdadigheidsveiling werd voor de ‘Lady Blunt’-Stradivarius in juni vorig jaar opeens 11 miljoen euro betaald.

De vraag is: waarom? Zijn violisten snobs? Deze week was er ophef over een blinde test onder orkestviolisten. Ze bleken een Strad en een Guarneri niet noodzakelijkerwijs te prefereren boven een kopie. Maar wat zegt dat eigenlijk?

Ten eerste zijn ‘gewone’ orkestmusici doorgaans niet degenen die Stradivariussen gewend zijn. Ten tweede is het zelf spelen op een viool weer iets heel anders dan het beluisteren van de draagwijdte en het karakter ervan in een concertzaal. Ten derde spelen bij de indruk die een instrument maakt variabelen mee, zoals de akoestische ruimte, de temperatuur, de vochtigheidsgraad. En ten vierde is de ene Stradivarius de andere niet. Er zijn boeken vol te schrijven over de ervaringen van violisten die radeloos moesten opbiechten geen ‘klik’ te voelen met hun Strad. De beroemde violiste Julia Fischer vertelde in deze krant de hare te hebben ingeruild voor een Guadagnini omdat „de Strad te arrogant en te koppig” was en ze „het gevoel had dat de Strad er met haar vandoor ging”. Igor Gruppman, concertmeester van het Rotterdams Philharmonisch, zweert juist bij zijn Strad – om grofweg dezelfde redenen.

Interessanter lijkt mij een dubbele keuring door ervaren Strad-spelers – op het podium én vanuit de zaal, spelend én luisterend. De proef mag dan gaan tussen een aantal onderling zeer verschillende echte Stradivariussen en kopieën die zijn gemaakt aan de hand van recent, zeer uitputtend CAT-scanonderzoek naar de eigenschappen van Stradivariussen door radioloog Steven Sirr. Hopelijk winnen de echte. Omdat blijkt dat alleen hout dat is gerijpt onder de weersomstandigheden van Italië omstreeks 1700 die klank maakt. Of omdat de chemische eigenschappen van ouderende lak niet na te maken blijken, of zo. Vooralsnog is er ook nog geen computer die Mozart kan nabootsen, hoeveel valide parameters je er ook in stopt. Ergens is dat een geruststellend idee.

Mischa Spel