De Duce zwijgt alleen nog maar

Antonio Pennacchi: Het Mussolinikanaal (Canale Mussolini). Vert. Mieke Geuzebroek en Pietha de Voogd. De Bezige Bij, 512 blz. €29,90

Lluís-Anton Baulenas: De neus van Mussolini (El nas de Mussolini). Vert. Pieter Lamberts en Joan Garrit. Signatuur, 311 blz. €19,95

Van de Britse schrijver L.P. Hartley is de uitspraak dat het verleden een vreemd land is. ‘Ze doen de dingen daar anders’, zo luidde de openingszin van zijn roman The Go-Between. Twee recente romans, een Italiaanse en een Catalaanse, laten zien hoe penetrant die observatie nog altijd is. De één overtuigt door het verleden inderdaad ‘anders’ te laten zijn. De ander mislukt doordat wat ooit was als twee druppels water lijkt op wat nu is. Dat beide in hun titel verwijzen naar de fascistische dictator Benito Mussolini maakt dat verschil alleen maar opvallender.

Misschien is de taal van beide auteurs daarvan wel het eerste symptoom. Antonio Pennacchi heeft Het Mussolinikanaal alle moeite gedaan om de regionale spraakverschillen tussen de personages zo goed mogelijk naar voren te laten komen. Althans, dat vertellen ons de vertaalsters, die er in de Nederlandse uitgave wijselijk van hebben afgezien daarvoor terug te vallen op Westfries of Zuidlimburgs.

Maar wel is het lange relaas van de verteller Pericles Peruzzi over de wederwaardigheden van zijn familie in de loop van de veelbewogen Italiaanse 20ste eeuw, historisch loepzuiver. Anachronismen zul je in zijn verhaal niet aantreffen, tenzij daar goede redenen voor zijn. Anders is dat bij Baulenas, wiens roman over een communistische activiste in het Catalonië van de jaren twintig regelmatig geplaagd wordt door modekreten die de jaren negentig nauwelijks zijn ontgroeid. ‘We kunnen elkaar nog tig keer beminnen, Berta!’ zei Foix.’

Misschien is dat deels een gevolg van de Nederlandse vertaling. Maar zo gemakkelijk komt Lluís-Anton Baulenas, die in Nederland bekend werd met een roman over de Catalaanse arbeidersopstand van de ‘Tragische Week’ in 1909 (Het geluk), er niet van af. Want dit verhaal over de bevlogen Berta die de opdracht krijgt een aanslag te plegen op dictator Primo de Rivera en zich tot het zover is gedeisd moet houden in een afgelegen bergdorp, verraadt zich ook politiek vlak als een historisch soort wensdenken.

Rechtse signatuur

In Baulenas’ universum vloeit de arbeidersstrijd in Catalonië samen met het nationalistische streven naar een zelfstandige Catalaanse natie en cultuur. Inderdaad is dat iets wat het hedendaagse ‘Catalanisme’ graag hoort. Niet voor niets mocht Baulenas voor deze roman opnieuw een belangrijke literaire prijs in ontvangst nemen. Dat het nationalistische streven veeleer een rechtse signatuur had en voortkwam uit de bourgeoisie die kan rekenen op de diepe verachting van Baulenas’ heldin, wordt in de Catalaanse letteren liefst vergeten.

Een stuk minder accommoderend is de familiekroniek Het Mussolinikanaal, dat geen doekjes windt om het mateloze enthousiasme dat het fascisme in Italië minstens twee decennia lang teweeg wist te brengen. De straatarme familie Peruzzi, afkomstig uit de Po-vlakte maar door het regime voorzien van een boerderij in nieuw-ontgonnen land ten zuiden van Rome, heeft althans geen reden tot klagen. Dat daaruit overtuigde fascisten geboren worden, maakt de verteller niet alleen zichtbaar maar ook begrijpelijk. Geschiedenis is hier geen legitimatie van het heden, maar een problematisering van het verleden – en dus toch weer van het heden. Waar Baulenas geruststelt, verontrust Pennacchi, en zo hoort het in goede literatuur te gaan. Dat ook die laatste in zijn land voor zijn boek onderscheiden werd, pleit voor de literaire integriteit van de betreffende jury.

Ook in hun aanpak verschillen Baulenas en Pennacchi als dag en nacht. De eerste vertelt zijn verhaal op traditionele wijze. Hij is de alwetende auteur die achtereenvolgens inzoomt op de verschillende hoofdrolspelers van het drama: vooral de bevlogen Berta. Jarenlang wacht zij op de vervulling van haar roeping: het neerschieten van de dictator zoals kort daarvoor de Ierse activiste Violet Gibson Mussolini heeft trachten te doden. Waar die laatste alleen de neus van de dictator wist te verwonden, zal zij slagen, zo heeft ze zich voorgenomen. Maar lusteloos verstrijkt de tijd in haar bergdorp zonder dat zij van haar partijgenoten het beloofde parool ontvangt. Ten slotte legt Primo de Rivera eigener beweging de macht neer en wacht haar, als mislukte heldin, een treurig lot: de voorafschaduwing van wat Spanje als geheel jaren later zal overkomen.

Autoritair

Pennacchi leent zijn stem geheel aan de inmiddels bejaarde Pericles Peruzzi, die hij een boek lang laat vertellen over de landverhuizing van zijn voorvaderen naar het zuiden, de moeilijkheden tussen nieuwkomers en autochtonen die daarvan het gevolg waren, de wreedheden van de door Mussolini gevoerde oorlog in Abessinië en de tweeslachtigheid van het regime. Want hoe autoritair dat ook mocht zijn, het gaf brede lagen van de tot dan toe stemloze bevolking voor het eerst het gevoel er in de politiek toe te doen. Nu, zo laat Pennacchi zijn verteller zeggen, denken we over veel dingen anders dan toen. Dat maakt niet alle katjes grauw, maar wel duidelijk dat het verleden een vreemd land geworden is waarin niet dezelfde vanzelfsprekendheden gelden.

Knap weet Pennacchi de meanderende manier waarop de orale cultuur van oudsher haar relaas doet in het verhaal van Pericles te laten terugkomen. Nooit gaat de vertelling van A naar Z. Steeds weer zijn er uitweidingen, soms vele bladzijden lang, voordat de draad weer wordt opgepikt. Ook al lijkt Pericles almaar rondjes te draaien door het verleden, altijd weer krijgt hetzelfde verhaal daar een nieuwe wending en onverwachte verrijking door.

Het geestigst is Pericles misschien wel wanneer hij de internationale politiek terugbrengt tot de cafétaal van ongeletterde boeren. Zoals wanneer hij vertelt hoe Mussolini een bezoek brengt aan Hitler om te zeggen dat Italië de strijd opgeeft: ‘Bij terugkomst vraagt de stafchef Ambrosio aan hem: „En, Duce, hoe ging ‘t? Wat zei-ie?” „Ik kwam er niet tussen. Alleen hij was aan het woord, hij schreeuwde als een gek”, en de Duce hield zijn mond, hij durfde geen woord te zeggen. Onderdanig.’