Asfaltkampioen lonkt naar mondiale ijstop

In het skeeleren grossiert de Belg Bart Swings al in grote titels. Morgen begint hij in Boedapest als schaatser aan zijn tweede EK allround. „Schaatsen is heel puur, dat vind ik zo mooi.”

Natuurlijk wist hij het: twee baanrecords op de ijspiste van Boedapest zijn al ruim tien jaar in Belgische handen. Bart Swings grinnikt als hij de prestaties van ‘landgenoot’ Bart Veldkamp op de WK allround van 2001 schijnbaar achteloos uit de mouw schudt. „Ik had hun tijden even opgezocht, om te kijken wat op deze baan mogelijk is”, grijnst Swings.

Bart Swings uit Leuven, 20 jaar oud pas, is een fenomeen in de skeelerwereld, een wereldkampioen die grossiert in grote titels. Maar morgen begint hij – als schaatser – aan zijn tweede EK allround, op de sprookjesachtige buitenbaan van Városligeti Müjégpálya. Sinds zijn eerste uitstapje van het asfalt naar het ijs, vorig jaar in Collalbo, is de knop om, al heeft hij soms nog moeite met zijn nieuwe status. „Het is mijn doel de wereldtop te halen in het skeeleren… eh, het schaatsen.”

De tijd is voorbij dat de schaatswereld geamuseerd toekijkt als zich weer eens een vreemde eend in de Hollandse bijt waagt. De laatste jaren maken skeeleraars uit alle windstreken de overstap, op zoek naar de olympische erkenning die zij ook na duizend rondjes op straat niet krijgen. Chad Hedrick was tien jaar geleden een van de eersten die de sprong waagden, met de wereldtitel allround in 2004 als resultaat.

Skeeleraars als Shane Dobbin (Nieuw-Zeeland) en Alexis Contin (Frankrijk) laten zien hoe snel het kan gaan. Swings: „En de Amerikaan Joey Mantia. Voor hem zou ik echt oppassen als ik de Nederlanders was. Hij houdt zich nog een beetje op de achtergrond, maar als hij de techniek eenmaal onder de knie heeft, kan hij net zo goed worden als Hedrick.”

Swings zelf had amper drie maanden geschaatst, of hij reed in Salt Lake City een Belgisch record op zijn eerste 10.000 meter (13.23,99), bijna vier seconden sneller dan Veldkamp tijdens de Winterspelen van 2002, op hetzelfde ijs.

De Nederlanders hebben hem snel geaccepteerd. Koen Verweij, die als skeeleraar vooral de rug van Bart Swings zag, tipte de Vlaming gisteren zelfs als een potentiële verrassing op het onvoorspelbare buitenijs in Boedapest.

Verweij was indirect verantwoordelijk voor Swings overstap. „Ik reed in 2007 op de WK skeeleren voor junioren al tegen Koen. Ik haalde mijn eerste wereldtitel, Koen werd derde. Een paar maanden later zag ik hem op televisie vijfde worden op de NK afstanden, als junior. Ik dacht: dat moet ik ook eens proberen.”

Helemaal onbekend was Swings niet, met de schaatswereld. „Ik keek vroeger op zondagmiddag altijd al naar het schaatsen bij de NOS.’’ Maar pas als het veldrijden op de Vlaamse tv afgelopen was – dat dan weer wel.

Zijn snelle opmars roept misschien vragen op over het niveau van het internationale schaatsen, Swings heeft een andere verklaring. „Het zegt vooral veel over het niveau van het skeeleren. Mijn kracht is misschien wat minder, vergeleken bij iemand als Jan Blokhuijsen, maar qua uithoudingsvermogen en trainingsintensiteit doen wij niet veel onder voor topschaatsers. Je gebruikt in het skeeleren dezelfde spiergroepen.”

Toch moet Swings nog een hoop leren. Sinds vorig jaar is de Nederlander Marc Otter zijn technische begeleider. Swings: „Technisch is het verschil tussen beide sporten groot. Met skeeleren ben je veel vrijer in je beweging, omdat je wieltjes breed zijn. Of je op de binnenkant van je voet rijdt of op de buitenkant, maakt niet zo veel uit. Omdat de ijzers zo dun zijn kun je met schaatsen bijna niks corrigeren. Je moet je schaats veel nauwkeuriger neerzetten, je timing moet elke slag perfect zijn.”

Gesterkt door zijn snelle progressie voelt Swings zich al na één jaar meer schaatser dan skeeleraar. „Schaatsen is heel puur, dat vind ik zo mooi. Als je een slechte dag hebt, is het gedaan. Met skeeleren kan ik op een slechte dag nog winnen. Even uitrusten in het peloton, dan de eindsprint winnen. Schaatsen is een tijdrit van één tegen één, dat maakt het zo zwaar.”

Langzaam begint België ook warm te lopen voor een Belgische ijsschaatser, merkt Swings. Sterker: dankzij zijn negentiende plek op de EK van vorig jaar mag het land in Boedapest nog een schaatser op het ijs brengen: Ferre Spruyt, ook een skeeleraar uit Leuven, trainingsmaat van Swings. „Het begint te leven in België. Er zijn nog geen Belgische journalisten bij het EK, maar ik krijg geregeld telefoontjes.”

Ondertussen leven ze zoals de meeste niet-Nederlandse schaatsers: nagenoeg zonder sponsor, dus elke euro is er één. Trainen doen ze tweemaal per week op ‘thuisbaan’ Eindhoven, „tussen honderd andere schaatsers”. Tijdens trainingskampen in Erfurt of Inzell slapen ze in een Etap Hotel of een vergelijkbare uitspanning onder de veertig euro. Fysiotherapeut? Wordt voor een paar dagen ingehuurd. „Maar ook dan raakt het budget een keer op”, lacht bondscoach Marc Otter.

Swings verwacht in Boedapest zijn stijgende lijn voort te zetten. „Ik werd vorig jaar twaalfde op de 5.000 meter, negende op de 1.500 meter. Dat was super, maar ik had er nauwelijks voor getraind. Nu ben ik fysiek beter. De EK zijn geen hoofddoel, daarvoor is mijn sprint te traag. Ik wil hier een technisch goede 5.000 meter rijden.”

Zijn piek ligt dit seizoen op de WK afstanden, in Heerenveen. Maar Swings kijkt al verder. „Ik wil erbij zijn op de Spelen van Sotsji, in 2014. Dat gaat wel lukken. Maar in 2018 wil ik meedoen om de medailles.”