Alle hens aan dek, in naam van Holland: de Dinkel rein!

Willem Groothuis: Honderd jaar Natura Docet. Meester Bernink en zijn natuurhistorisch museum. Walburg Pers, 286 blz. €25-

Een van de allermooiste natuurhistorische musea in Nederland is ongetwijfeld het honderdjarige Natura Docet in het Twentse Denekamp, het levenswerk van de plaatselijke onderwijzer J.B. Bernink (1878-1954). Ik kwam er als kind, ik kom er nog. Bernink is een exponent van het ‘biologisch reveil’ van rond 1900. Je hebt Heimans en Thijsse, Craandijk en Schipperus – samenstellers van streekgerichte kuierboeken – en je hebt de wandelende Bernink, die in 1911 voor zijn verzamelingen gedroogde bloemen, opgezette dieren, fossielen en mineralen een heus museum wist te organiseren. Denekamp stootte er mee op in de vaart der volkeren – toeristen, hotels, tramverbinding.

Over het jubilerende museum schreef Willem Groothuis zijn Honderd jaar Natura Docet. Meester Bernink en zijn natuurhistorisch museum. Het bevat uiteraard de gebruikelijke plichtplegingen van een jubelboek. Conservatoren na Bernink, beleefd positieve toon, kiekje, klaar. Maar het is gelukkig veel méér. Belezen en op prettig leesbare toon beschrijft Groothuis uitgebreid het natuurvorsers-netwerk aan het begin van de 20ste eeuw. Interessant. Vogelaars, botaniseertrommeldragers, fossielgravers, bodemkundigen, preparateurs, de scribenten van de wereld ‘die leeft en bloeit en altijd weer boeit’. Hoe de heren elkaar leren kennen, corresponderen, bij elkaar op bezoek gaan, en er gezamenlijk op uit trekken. Mooi te zien hoe de aanvankelijk jonge Bernink langzaamaan groot respect verwerft bij gestudeerde grootheden, tot en met de wereldberoemde plantenfysioloog Hugo de Vries.

Middelpunt in Honderd jaar Natura Docet is Meester Bernink zelf. Groothuis schreef boeiende hoofdstukken over hem als geoloog, ornitholoog en plantkundige. Hij was een gedreven man, sociaal begaafd zou je zeggen. Opmerkelijk wat hij voor elkaar wist te krijgen. Of we hem kleurrijk mogen noemen? Zijn proza is het op zijn minst. Zeker als zijn stukken de Dinkel betreffen, het ‘rivierke’ dat het middelpunt van zijn wereld vormt, spat het vuur van de regels.

Iets te veel volgens redacteur Jac. P. Thijsse van het tijdschrift De levende natuur, als hij in 1898 een Bernink-bijdrage terugstuurt met het verzoek ‘iets minder in het declamatorische te vervallen’. ‘Plotseling blinkt en ruischt het voor onze voeten,’ had Bernink geschreven. ‘Water, een breed water, stromend, helder water, zuiver als gefiltreerd, helder als kristal.’

In 1916 ziet de Dinkel er ingrijpend minder kristallijn uit en gaat Bernink echt los: ‘Er zijn brutalen die haar ontluisteren. Buren in het Zuiden, in Gronau en Epe, pogen onze Dinkel tot een open riool te maken, haar boorden tot een mestvaalt. Alle hens aan dek! Het onheil dreigt! In naam van heel Holland! De Dinkel rein!’

Een respectabel man, Bernink. In Groothuis’ sympathieke boek wordt hem de eer betoond die hij verdient.