Verleiders en prooi: de goden van het grote geld

Ondanks opeenvolgende crises zag je in het Nederlands theater nog maar weinig financieel theater. In 2012 verandert dat, met toneelstukken over de vastgoedfraude en de ondergang van ABN Amro.

Ze waren hoofdrolspelers in miljoenendrama’s, in banksector danwel vastgoedwereld, als falend bestuurder of vermeend aanstichter. In 2012 worden ze theaterpersonages: oud-topman van ABN Amro Rijkman Groenink en vermeend vastgoedfraudeur Nico Vijsma. Acteur Mark Rietman speelt vanaf 10 maart Rijkman Groenink in De Prooi bij het Nationale Toneel, naar het boek van Jeroen Smit over de ondergang van ABN Amro. En Pierre Bokma vertolkt vanaf september de rol van Nico V., beschuldigd van miljoenenfraude bij het Bouwfonds, in De Verleiders van Bos Theaterproducties, naar het boek De Vastgoedfraude van Vasco van der Boon en Gerben van der Marel.

Financieel toneel – anders dan in Groot-Brittannië, waar al een reeks stukken over de crisis het licht zag, hebben nog niet veel Nederlandse makers zich eraan gewaagd. En nu staan in 2012 opeens twee grote producties over de financiële wereld en de crisis gepland. Daar komt Ik wil mijn geld terug! van de Veenfabriek nog bij. Vanwaar plots dit golfje? Johan Doesburg, regisseur van De Prooi: „Ergernis! Ergernis over dat wereldje, de ondoorzichtigheid ervan. Ergernis en interesse.” George van Houts, die het boek De Vastgoedfraude heeft bewerkt en de rol van fraudeverdachte Jan van Vlijmen speelt: „Het is spannend, als een filmscript geschreven voor Al Pacino en Robert De Niro.”

Nederland voelt sinds 2008 de gevolgen van opeenvolgende crises; het kapitalisme zelf ligt onder vuur. Maar geen groot gezelschap waagde zich nog aan deze materie. Te abstract, wellicht: het boek De Prooi beschrijft dertig jaar bankengeschiedenis in 400 pagina’s, via indirecte verslagen over zo’n tweehonderd belangrijke spelers. Bewerker Sophie Kassies bracht dat terug tot tien personages, deels bestaande figuren, en schreef nieuwe dialogen op basis van speculaties in het boek. Hoofdpersoon en antiheld: bankier Rijkman Groenink.

Doesburg: „Het is abstract, maar er is zeker sprake van drama. Hier wordt op hoog niveau gespeeld met veel geld. En degene die daar leiding aan geeft, laat het uit zijn handen vallen. Het drama is ondoorzichtig beleid, solisme en animositeit.” Drama is conflict, weet Doesburg, en conflict is er volop binnen De Bank. „Er is conflict tussen de oude, nog enigszins gewetensvolle generatie bankiers, en de jongere ‘investment bankers’, die jagen op het grote geld. Collega’s onderling gunnen elkaar het licht in de ogen niet. En alles in het geniep; het is uiterlijk heel beschaafd.” Daarbij komt het drama van de onveranderlijkheid: „Sinds die bank in elkaar klapte, is er in deze wereld niets veranderd. Iedereen is er rijk uitgekomen, alleen de Nederlandse Staat, wij dus, betaalt 23 miljard, die gekort wordt op de cultuur, de gezondheidzorg, het onderwijs. Daar kan ik behoorlijk kwaad over worden.”

Ook acteur Mark Rietman voelt verontwaardiging. Niet eens, zegt hij, om de concurrentie, eerzucht of zelfverrijking. „Die instincten schuilen in ieder mens. Daarom hebben we wetten bedacht: om die instincten in te tomen. Maar in de bankwereld doen ze het andersom: daar worden die kwalijke instincten juist gestimuleerd. Dat vind ik verwerpelijk.”

Pokerface

Woede is „de motor van de voorstelling”, maar Doesburg is niet uit op schandpaaltoneel. „Ik zeg niet: het zijn allemaal klootzakken. Dat is te simpel. Ik wil de mentaliteit tonen, en de machinaties die die in stand houden. Maar ik begin straks met die mensen sympathiek te maken. Het publiek moet van ze gaan houden, van allemaal.”

Dat lijkt lastig bij een ongrijpbare figuur als Rijkman Groenink. Een autist is hij wel genoemd, en een sociopaat. Rietman ziet dat niet zo. „Bij ons krijgt hij een shakespeareaanse tragische dimensie. Een zekere allure, een bepaalde eenzaamheid, en een verleden: hij is ook een man die zijn vader wil ontstijgen. Er zit een heel sterk moeten in hem. Anders dan in het boek krijgt het persoonlijke bij ons een sterkere klank. Maar ik wil hem ook sfinxachtig spelen, als een mysterie. Hij draagt altijd een pokerface. Zo is het in die wereld, niemand laat in zijn kaarten kijken.”

Moet het publiek zich kunnen identificeren met Groenink? Doesburg: „Je kunt je niet identificeren met iemand die 5 miljoen euro verdient. Zo iemand speelt in een andere klasse. Hoe kan hij nog iets aannemen van een minister van Financiën, die ‘maar’ 170.000 euro krijgt? Wij zijn gewend geraakt om waarde af te meten aan geld, en dus is zo’n minister in zijn ogen een loser. Niemand kan dit soort mannen nog iets vertellen. Het zijn goden; de goden van het grote geld.”

Maar die goden kunnen wel vallen. „Na de overname van ABN Amro is Groenink door de publieke opinie met pek en veren besmeurd. Dat ga ik in mijn voorstelling niet doen.”

Het geheven vingertje, dat is een groot risico bij dit soort theater. En een van de redenen, denkt George van Houts, dat veel makers ervan afzien. „Dat is in de jaren zeventig heel erg misgegaan, met het vormingstoneel, waar gold: hoe saaier hoe beter, en waar je als publiek alleen maar op je lazer kreeg.” Van Houts wil zijn publiek daarom voornamelijk amuseren en verwarren. „De Verleiders wordt een komedie van topkwaliteit, die ook ongemakkelijke vragen stelt. Het publiek moet de zaal op z’n minst met een groot vraagteken verlaten. Of zelfs met de behoefte om te zijn zoals Nico Vijsma en Jan van Vlijmen.”

Is Rijkman Groenink op toneel de ongrijpbare sfinx, met het duo Vijsma/Van Vlijmen heeft George van Houts volgens eigen zeggen „bijzonder theatrale personages” in handen. Vijsma is een bizarre figuur, een tanig, klein mannetje, half-Indonesisch, altijd in een lange zwarte jas en met een zonnebril. Hij snuift openlijk coke. Hij pakt je óf helemaal in, óf je bent doodsbang voor hem. En dan dat neefje, Jan van Vlijmen, ernaast. Een briljant getallenman, maar ook autistisch, en met smetvrees. Dat duo komt samen binnen bij het respectabele Bouwfonds, en verdient daar vervolgens miljoenen. Of steelt die – volgens het Openbaar Ministerie. Fascinerend.”

Dealtjes

Doordat Van Houts zich uitvoerig in de zaak verdiepte, is zijn visie erop ingrijpend veranderd. Van verontwaardiging en identificatie met de gedupeerden, tot ernstige twijfel: zijn deze vermeende daders wel zo slecht? „Ik ben er inmiddels van overtuigd dat die wereld gewoon zo werkt, met handjeklap en dealtjes onder de tafel. Dat is niet goed, maar het is wel hypocriet dat alleen zij ervoor terechtstaan. Het is een uitwas van het kapitalisme, en daar hebben we allemaal van geprofiteerd.”

Dat brengt hem bij de volgende verklaring voor het lang uitblijven van serieus financieel toneel: „Geld is in onze samenleving geen dramatisch gegeven meer. In de tijd van Heijermans’ Op Hoop van Zegen, rond 1900, kon je nog meeleven met Kniertjes armoede. Dat was beangstigend; je baan verliezen was in die tijd levensbedreigend. Maar wij bulken nu zo van de weelde dat het ons niet zo veel meer zegt. We zijn allemaal een beetje Marie Antoinette geworden, die, toen haar verteld werd dat het volk geen brood meer had, zei: o, maar dan eten ze toch taart?”

Nog wel relevant, en dus dramatisch interessant, is volgens zowel Doesburg als Van Houts het morele vraagstuk: zijn wij, burgers, het publiek, medeschuldig? Van Houts: „Pierre Bokma moet de toeschouwer als Vijsma meenemen in zijn keuzes. Zo van: ‘U vindt mij een boef? Ik laat u zien hoe het is gegaan, en dan kunt u daarna nog eens oordelen.’ Ik denk dat velen hetzelfde hadden gedaan.” Doesburg: „We kijken vol afkeer naar een systeem dat we zelf in stand houden. We gaan allemaal naar IJsland voor 1 procent meer rente. Ik heb ook niet geklaagd toen mijn huis in waarde steeg. Hebzucht is ons allemaal niet vreemd.”

Gaat het lopen, in Nederland, dit financieel toneel? Want dat is een van de meer prozaïsche redenen waarom het weinig wordt gemaakt: het thema trekt geen volle zalen. De voorverkoop van De Prooi verloopt moeizaam. Doesburg: „De Prooi is een bekend boek, een goed boek ook. In de bankenwereld smullen ze ervan. Maar het grote publiek? Ik weet het niet. Het is niet De Eetclub.” Van Houts moest al zijn titel veranderen om de kaartverkoop te stimuleren. Van De Vastgoedfraude naar De Verleiders. Ondertitel: ‘de Casanova’s van de vastgoedfraude’. „De financiële wereld wordt gezien als een mannenonderwerp, terwijl vrouwen de schouwburgkaartjes kopen. Maar kom op: dit is voor iedereen belangrijk! De vastgoedfraude, de bankencrisis, het zijn voorbeelden van hoe het kapitalisme in onze handen kan ontploffen. Daar voelen we dit jaar allemaal de gevolgen van.”