Vasthouden aan het vertrouwde

In de oorlog, tijdens de Duitse bezetting, ontstond in Nederland de doorbraakgedachte: het vooroorlogse politieke stelsel, waarin de confessionele partijen domineerden, was verouderd en moest doorbroken worden. De Partij van de Arbeid, opvolger van de oude Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), was de belichaming van die gedachte. Zij maakte het programmatisch mogelijk dat aanhangers van andere partijen naar haar overgingen, en inderdaad deed een jonge generatie christenlijk-historischen dit. De Vrijzinnig-Democratische Bond verdween zelfs helemaal.

Maar bij de eerste naoorlogse verkiezingen, in 1946, werd niet PvdA de grootste partij, maar de Katholieke Volkspartij. De Anti-Revolutionaire partij leverde weliswaar de zetels in die zij in de jaren ’30 onder Colijn (die intussen overleden was) gewonnen had, maar de Christelijk-Historische Unie kwam, tot veler verassing, ongeschonden terug, hoewel zij de laatste vooroorlogse premier, De Geer, had geleverd, die zich – en ons land – geblameerd had door in 1941 uit Londen te deserteren naar het bezette Nederland. Kortom, de Doorbraak was mislukt. Na de bezetting verlangden de kiezers terug naar de vertrouwde tehuizen.

Iets soortgelijks doet zich nu ook voor. Het is weliswaar geen oorlog, maar het is het vreedzame geweld van globalisatie en Europese integratie dat de mensen zich doet vastklampen aan hun vertrouwde leefomgeving. Het verschil met 1946 is evenwel dat intussen het zuilenstelsel is ingestort, niet als gevolg van de Doorbraak, maar van de secularisatie van de samenleving. In de jaren ’60 vielen de confessionele partijen dramatisch terug, wat hen tot samengaan in het CDA dwong, dat nu tot ’s lands vierde partij is teruggevallen. De heimwee naar het vertrouwde moet zich dus op andere wijze manifesteren.

Twee schrijvers hielden zich onlangs, kort na en los van elkaar, bezig met dit verschijnsel: de publicist en filosoof Hans Schnitzler in de Volkskrant (21 december) en Frank van den Heuvel in Trouw (30 december). Zij signaleren hetzelfde verschijnsel, maar komen tot verschillende uitkomsten: de eerste eindigt met een oproep tot verandering, de tweede laat het bij een voorspelling.

Volgens Schnitzler vraagt de werkelijkheid van vandaag om „oplossingen die niet kunnen worden gestoeld op de klassieke uitgangspunten van de grote emancipatorische bewegingen zoals liberalisme en socialisme. De links-rechts retoriek is obsoleet”. Er zijn nieuwe breuklijnen ontstaan: die tussen lokalisme en globalisme.

De meeste mensen „socialiseren en consumeren binnen huiselijke, lokale of regionale kring. Daar worden identiteiten gevormd. Mondiale fenomenen, even vloeibaar als onzichtbaar, zijn een reële bedreiging” voor hen. Hun „blijft niets anders over dan zich hartgrondig te verzetten tegen de desintegratie van hun directe leefomgeving”. Nu „het spanningsveld tussen mondiale vraagstukken en lokale belangen zich onttrekt aan de ideologische tegenstellingen van weleer, wordt het tijd de oude loopgraven te verlaten. Zij belemmeren niet alleen het uitzicht, ze staan bovendien op instorten”.

Van den Heuvels analyse komt op hetzelfde neer: de mensen zijn mondiger geworden, „willen meepraten en meebeslissen over hun omgeving en zijn in zekere zin bang voor de moderniteit” – of die hun nu uit Brussel, Den Haag of elders opgedrongen wordt. Beleidsmakers, bedrijven en politici besteden te weinig aandacht aan de lokale gemeenschap, aan de mensen, aan de naaste omgeving en vergeten dat all politics is local, zoals een Amerikaanse politicus eens zei.

Terwijl Schnitzler eindigt met een oproep aan de partijen de oude loopgraven en de sleets geworden links-rechtstegenstelling te verlaten, laat Van den Heuvel het bij de constatering dat, „wanneer beleidsmakers enkel aandacht hebben voor de top, ze bij ieder project met impact bij de lokale bevolking – of dit nu een CO2-opslag, windmolens of schaliegas betreft – een nederlaag zullen leiden”. De democratie verzet zich, met andere woorden, tegen de moderniteit. Gefundenes Fressen voor partijen als SP en PVV.

Wat Schnitzlers oproep betreft om de oude loopgraven te verlaten: die loopgraven behoren ook tot de leefomgeving van de partijleden. Ook zij hebben, hoe verouderd ook, hun identiteit gevormd. Wat dat aangaat, verschillen zij niet van Van den Heuvels dorpen, die zich evenmin willen aanpassen aan de eisen van de tijd. De ideologische tegenstellingen tussen de partijen mogen verouderd zijn, de sociaal-culturele verschillen bestaan nog wel degelijk. We leven nog in een klassemaatschappij, al is zij niet meer die van vijftig jaar geleden.

Van den Heuvels conclusie dat beleidsmakers die geen rekening houden met de wensen van lokale gemeenschappen, een nederlaag zullen leiden, bevestigt opnieuw dat de democratie een van de struikelblokken is die de noodzakelijke integratie in inter- en supranationale verbanden tegenhouden. Vroeger, tot in de jaren ’60 van de vorige eeuw, volgde het platteland gedwee zijn politieke leiders (afgezien van een tijdelijk verschijnsel boer Koekoek). Nu niet meer.

Beide schrijvers hebben gelijk, maar Schnitzler krijgt het niet: de mensen verlaten niet zo gauw hun loopgraven, die hun tehuizen zijn geworden. De PvdA heeft zojuist iemand gekozen die zich zelfs nog dieper wil ingraven, want hij wil terug naar de ideologische veren die Kok in 1995 opgelucht had afgeschud. Niet erg progressief.