Van weeskind tot boerin

De Ierse verpleegster Mary vond vrijheid in Australië. Ze werd er boerin en leefde een vol leven met haar man John. Nu zij beiden ouder worden doemt te vraag op hoe het verder moet met de outback.

Ze zit op stoel 37 aan het raam. De trein schommelt van Sydney naar Wagga Wagga. Haar hoofd wiegelt ook een beetje. Mary is geboren in 1938. Ze moet in ‘Wogga’ overstappen op een toerbus. Het is nu 8 uur ’s ochtends. Om 5 uur vanmiddag zal ze thuis zijn ergens in de outback waar haar man John appels en peren teelt. Mary doet het vee: veertig stuks vleeskoeien van het type Angus, waar de Japanners zo dol op zijn vanwege de perfect ronde kogelbiefstukken.

Die koeien zijn er meer voor een extraatje erbij, zoals in 1999 toen ze terug naar Ierland moest. Om haar pensioen regelen. „Die kerels op de veemarkt wilden niet eens zaken doen, toen ze erachter waren dat het mijn koeien waren die ik zelf verkocht. Een vrouw op de veemarkt was nog niet vertoond. Geloof je dat nou, hoe achterlijk dat wereldje is?”

Ze wijst met een hand, die naar hard werken staat, naar het landschap. „Kijk, hier zijn we begonnen, John en ik.” Dat was halverwege de jaren zestig. Een fruitbedrijf ook. Buiten zijn de rafelranden zichtbaar van Sydney. Uitgestrekte bedrijfsterreinen. „Dat zag er toen anders uit,” zegt Mary. „Het was hier paardenland. Iedereen fokte paarden. Racepaarden. Het was een gelukkige tijd.”

Ze komt terug van Sydney, waar ze in plaats van één week, wel drie weken heeft gelogeerd. „John schiet me dood als ik thuiskom,” grinnikt ze. Maar het was ook zo lekker geweest, alleen voor de tv hangen en een beetje slapen. Nog eens wat anders dan van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat achter de beesten aan zitten.

Het bezoek was niet helemaal voor de lol. Toen ze in 1964 naar Australië emigreerde, reisde ze samen met haar twee beste vriendinnen, met wie ze was opgegroeid in een Iers weeshuis. Een van die twee vriendinnen had longontsteking.

Als ik koffie ga halen in de buffetwagon, staat ze er op te trakteren. En als ik terugben met koffie, begint ze me vol te stoppen met loodzware bananencake. „Heeft mijn dochter gemaakt.” Ze heeft ook nog twee zonen. Een is onderwijzer en de ander fotograaf en succesvol schrijver van boeken over sportvissen.

Met haar vriendinnen ontsnapte ze aan de bekrompen wereldje van Dublin. „Geweldig was die vrijheid hier. Weg van de regels en die eeuwige deprimerende regen in Ierland.”

De trein suist nu door een groen glooiend landschap dat eruit ziet als de desktop van Windows XP. Maar dan met gombomen. „Zo groen heb ik het bijna nooit gezien,” zegt ze. En ze dankt La Niña voor de regens.

Mary’s vinger wijst regelmatig naar buiten. Om mij te waarschuwen. In de rivieren zit tot ver landinwaarts een soort haai die ook gedijt in zoet water. „Die bijt je been er zo af.” Of: „Zie je dat? Deze boer doet het goed. Zijn akkers staan er mooi bij. Hij heeft prachtige koeien, en vier geweldige stieren.”

Nou ja. Australië had destijds ook wel zijn keerzijden. Mensen van buiten met een goede opleiding konden bijvoorbeeld vaak niet meteen aan de slag. Maria kon geen verpleegster worden, ofschoon ze haar diploma had. „De mentaliteit die hier heerste was dat die buitenlanders eerst maar eens het werk moesten doen dat niemand anders wilde doen.” En dingen samen doen, zoals in Europa, willen ze hier ook niet. Ze wijst naar een combine die door eindeloze tarwevelden rijdt. „Iedereen heeft zijn eigen landbouwmachines hier. Corporaties doen we niet aan. Iedereen is bang het laatst aan de beurt komen en dan zijn oogst te verspelen.”

Mary had zich toch gered toen ze geen werk kreeg als verpleegster: met haar medische vooropleiding kon ze aan de slag bij een zorgverzekeraar waar ze klanten screende. Dat duurde drie jaar, tot ze haar man ontmoette, trouwde en voorgoed boerin werd. „Al meer dan veertig jaar”.

Mary wijst weer naar buiten. Hier in het stadje Junee zaten haar zoons op kostschool. Buiten zijn wat verspreide gebouwen zichtbaar, veel gebladerte. Junee is een prima plek vindt ze. Er zijn kostscholen, een politieschool, een bedrijf dat de politieuniformen maakt. Op zich een prima systeem, die kostscholen, vindt Maria. „Kinderen die opgroeien ver van de stad op grote landerijen komen zo in contact met de andere helft van de samenleving.” Nadelen zijn er ook. Kijk, ze heeft een geweldig leven gehad, met haar John en het boerenbedrijf. En de kinderen hebben uitstekend onderwijs gekregen en maken carrière in de stad. En dat geldt voor die hele generatie. „Maar niemand wil nog boer worden. Wij waren de pioniers. Wij hebben het binnenland ontgonnen. En het was al die tijd geweldig. Maar nu we boven de zeventig zijn, wordt het te zwaar. Je ziet hele dorpen verlaten worden in het binnenland. Als er niets aan gedaan wordt, neemt de wildernis het weer over.”

Frank Vermeulen