Schrijver imiteert bokser: 9 kilo lichter

Na het lezen van Hemingway wist Jan van Mersbergen dat de hoofdpersoon in Morgen zijn we in Pamplona een bokser moest worden. Vanwege het contrast met stierenrennen.

J an van Mersbergen weegt 84 kilo. Tijdens het schrijven van Morgen zijn we in Pamplona was hij negen kilo lichter. „Een truc om dichter bij de boksers te komen”, zegt hij. „Voor mij als schrijver was het ergens een verzinsel. Ik heb zelf nooit aan die sport gedaan. Het gewicht van boksers moet voor de wedstrijd in orde zijn. Ik zag aan ze hoe heftig dat is: niet goed eten, niets drinken na de training, speeksel eruit spugen, overgewicht eruit zweten voordat ze op de weegschaal staan.”

Het is voor boksers een strijd op zich, nog vóór ze de ring instappen. „Er zijn overeenkomsten met schrijven: een gevecht met jezelf. Schrijven is iedere dag prutsen, in de hoop dat er een boek uitkomt. Voor mij gold: ik heb er baat bij gehad dat ik mijn gewicht op 75 kilo hield. Het boek is er beter van geworden, daar ben ik van overtuigd.”

Van Mersbergen (40) was al gefascineerd door boksen, maar die interesse beperkte zich vóór de roman tot het volgen op televisie. Nu ging hij naar de boksschool. „Boksers zijn benaderbaar. Je bent snel dichterbij ze. In tegenstelling tot voetballers: die hebben allemaal mediatraining gehad. Boksers praten kortaf, maar wat ze zeggen heeft een grote lading. Ze winnen bij anderen informatie in over hun tegenstander: heeft iemand zijn laatste partij gezien? Ja, hij is niet zo snel, wel sterk.”

Er is nog een contrast met voetbal. „Ik vind het mooi naar boksers te kijken als ze in de hoek zitten, als ze uitrusten. Een bokser die gaat verliezen is zich daar doorgaans van bewust, maar hij wil dat tussen de rondes niet laten blijken. Zijn begeleider speelt het spel mee. Die kan ook niet laten blijken dat het niet goed gaat. Laatst zag ik in Purmerend een jongen die uitgedeeld had. Toen de partij werd stilgelegd, hing hij wat in de touwen in de hoek. Hij pakte zijn rust, maar loerde van een afstand naar zijn tegenstander. Boksers kijken voortdurend naar elkaar. Het is een kijksport, niet alleen passief voor mensen als ik maar ook voor hen zelf. Voetbal is veel meer een ruimtelijk spel. De spelers kijken te weinig naar elkaar. De psychologie in voetbal komt simpel over.”

Boksen is volgens hem gelaagd. Er zit veel geheimzinnigheid bij. „Ik heb nooit iemand gesproken die er voor uitkwam dat hij bang is. Wel eens gevraagd, als ik na afloop van een wedstrijd met een bokser terugliep naar huis: ‘was je bang? Nee, nooit’, zei hij stellig. Onzin natuurlijk. Iedereen kent die angst. Boksen doet gewoon pijn. Het is klappen krijgen. Dat is het drama van die sport. Ook de winnaar zal flink moeten incasseren.’

Zelf voetbalt hij, sinds zijn elfde jaar. Eerst bij Almkerk in Brabant, tegenwoordig bij ASV Wartburgia in Amsterdam. Hij is altijd verdediger geweest. „Ik hou ervan het duel aan te gaan. Hardlopen, fietsen, sporten tegen jezelf of tegen de klok, kijken of je beter presteert dan de week ervoor; dat ligt mij niet zo. Negentig minuten draven op een voetbalveld lukt nog wel. Ik sta er niet voor het geven van subtiele passes, hou ervan als de bal wordt ingespeeld. Ik deel veel uit, maar heb nooit problemen met spitsen. Als ze op de grond liggen geef ik ze een handje. En ik praat veel met ze. Niet om ze uit de wedstrijd te spelen, maar ik vraag hoe het met ze gaat.”

Zijn roman Morgen in Pamplona, waarvan vorig jaar een Engelse vertaling verscheen, kende veel versies. De hoofdpersoon was eerst een stratenmaker en een schrijver. „Dat ging de mist in. Ik kwam er niet uit, toen heb ik The Sun also Rises van Ernest Hemingway erbij gepakt. Ineens wist ik: het moet een bokser worden. Ook vanwege het contrast. Een bokser kan niet wegrennen uit de ring, in Pamplona rent iedereen voor de stieren. Ik heb dat omgedraaid: een bokser op de vlucht, eenmaal in Pamplona aangekomen weigert hij te rennen.’

De spanning van het boek zit in het doceren van informatie. „Ik hou niet van een verhaal waarbij het eerst verkeerd gaat maar waarvan je als lezer al weet dat het weer goed komt. Dat is met de bokser het geval. Zijn vluchtpoging slaat nergens op. Hij weet dat hij zijn straf niet kan ontlopen. Als hij terug is in Nederland beseft hij dat hij in het nieuws is geweest. Hij ondergaat het gelaten. Op het laatst eet hij gevulde koeken.” Van Mersbergen lacht: „Daar onthouden boksers zich juist van.”

Hij houdt de sport bij, schrijft er nog regelmatig over. Daarnaast kijkt hij er veel naar op televisie. Laatst zag hij een bokser die telkens achteruit sprong, met twee voeten tegelijk. Ontwijken, tot zijn tegenstander te dichtbij kwam. Dan sloeg hij toe. Dat soort boksers vindt hij mooi om te zien. Daarnaast kijkt hij veel naar snooker, op de BBC. „Met dat prachtige commentaar erbij. Een middag en een avond groene televisie, met alleen een biljartlaken in beeld. Rustgevend.”

Snooker, weet Van Mersbergen, „doet alleen mentaal pijn”.

Menno de Galan