Nederlandse film

Rabat is een tenenkrommend slechte film, die aan alle kanten rammelt. Maar vertel dat eens de vaderlandse filmpers die het een van de cinematografische hoogtepunten van 2011 noemde. Nova Zembla, over de gestrande poging Azië via een alternatieve, noordelijke route te bereiken – meer een uitputtingsslag voor de kijker dan voor de personages. Een pienter meisje dat gistermiddag naast mij in de bioscoopzaal zat, kon er niet over uit hoe slecht de film was en riep tijdens de aftiteling: „Kijk, ze hadden maar twee mensen voor de research. Maar twee!” New Kids Nitro was van een niet na te vertellen flauwigheid. Gooische Vrouwen de film, ook zo’n kwelling waar je tien euro voor neertelt.

Het gaat goed met de Nederlandse film. Dat was het triomfantelijke nieuws dat het Nederlandse Filmfonds en het Nederlands Film Festival deze week naar buiten brachten. De bezoekersaantallen voor Nederlandse producties waren het afgelopen jaar gigantisch. Twee van bovengenoemde films trokken elk meer dan een miljoen kijkers. Vijftien andere Nederlandse films haalden in 2011 de status van platina (400.000 bezoekers).

Reden tot hosanna? Ik zag het merendeel van de Nederlandse films die in 2011 verschenen, van de multiculti-comedy De President tot De Heineken Ontvoering – alleen de laatste deed mij niet ineenkrimpen van plaatsvervangende schaamte.

Tijdens mijn laatste bioscoopbezoeken zag ik enkele trailers van Nederlandse films die in 2012 uitkomen. Blackout, een gangstercomedy – een optelsom van slecht jatwerk uit Amerikaanse voorbeelden. Doodslag, over ambulancebroeders die met geweld te maken krijgen – meer een langgerekt Postbus 51-spotje dan een echte film. Zombibi , een multiculti-comedy over zombies – weer een film waarin Marokkaantjes zich naar het domme, luidruchtige cliché moeten voegen.

Nova Zembla werd toevallig deze week besproken in het Amerikaanse tijdschrift Variety. „…narratively uninvolving History Channel-like reenactment. Acting is weak.” En zo’n film kostte zes miljoen euro, medegefinancierd door het Filmfonds.

Filmregisseur Ate de Jong beweerde onlangs de voorwaarden gevonden te hebben waaraan een Nederlandse film moet voldoen om een publiekstrekker worden. „Additionele factoren” zijn script en acteurs. Veel belangrijker is publiciteit en Nederland-gevoel. Nederland-gevoel? De Elfstedentocht bijvoorbeeld. Een film over die schaatsmarathon is onvervreemdbaar Hollands, dat trekt publiek. Zie bijvoorbeeld het succes van tv-programma’s Boer Zoekt Vrouw en Ik Hou Van Holland. Gooische Vrouwen – daar zit het Nederlandgevoel al in de titel, geen wonder dat bijna twee miljoen mensen die film gingen zien.

Eerder al vroeg columnist Frits Abrahams zich af waarom andere landen er beter in slagen om met een relatief klein budget interessante films te maken die ook nog een groot publiek trekken. Deel van het antwoord was volgens Abrahams te vinden in een uitspraak van Ate de Jong in de Volkskrant: „Kwaliteit is nauwelijks nog een maatstaf voor succes.” Zo denken het Filmfonds en het Nederlands Film Festival er blijkbaar ook over, voor hen betekent succes: een miljoenenpubliek trekken met bioscoopfilms die ze over de grens hooguit op History Channel zouden uitzenden.