Museum faalde omdat leiding zich niet aan de opdracht hield

Het essay van Bas Heijne over het mislukte Nationaal Historisch Museum gaat volledig voorbij aan de dubieuze rol van directeur Erik Schilp, stelt P. Scholten.

Het meest interessant aan de lijkrede op het graf van Nationaal Historisch Museum (NHM) van directeur Erik Schilp is misschien wel de redactionele mededeling aan het eind. Schilp heeft persoonlijk aan Bas Heijne verzocht deze ‘toespraak’ te houden bij het officiële verscheiden van het NHM (Opinie, 3 januari).

Is zo’n verzoek alleen ijdelheid, is het zelfbeklag of zit er meer achter? Waarom wil Schilp dat een man van statuur als Heijne zijn historische kist met een mooi filosofisch stuk plechtig voor eeuwig laat zakken? Waarom fungeert deze krant zelf als slippendrager, met vele kolommen op maar liefst drie pagina’s? Moet er met een prachtig betoog het nodige worden afgedekt? Het is allemaal wel heel opmerkelijk.

Ook opvallend is dat Heijne vele diepzinnige oorzaken van de teloorgang aanwijst, maar de hooghartige hoofdrol van Schilp zelf geheel buiten beschouwing laat. Om een voorbeeld te noemen: Schilp negeerde botweg de bewuste keus van zijn hoge opdrachtgever om het museum neer te zetten in Arnhem. Dat was niet de plaats en de sfeer van hem en zijn elite. Met die opstelling ging het pas echt fout. Het zaad van onvrede werd gezaaid, dat later zo welig kon tieren.

Op z’n minst had moeten worden vastgesteld dat Schilp ofwel de opdracht niet had moeten aanvaarden ofwel zich had moeten voegen naar de Kamerbreed gedragen wens de vaderlandse geschiedeniscanon als educatieve kern te exposeren in samenhang met de succesvolle openluchtexpositie van het dagelijks leven van de Nederlander. Schilp verkoos zijn eigen funest gebleken ‘hutspotspoor’. Dit is, los van alle divergerende opvattingen, een belangrijke oorzaak van de gemiste kans.

De hele geschiedenis overziende lijkt het er op dat Schilp na het 15 miljoen euro kostende debacle geen behoefte heeft aan een succesvolle tweede acte van deze tragikomedie, een tweede acte met andere spelers op een ander toneel, waaraan nu wordt gewerkt. Na de afgang van zijn onbegrepen meesterstuk kan een aanpak die succes heeft, toch niet mogelijk zijn? Dan wordt het bewijs van zijn falen toch alsnog geleverd?

Vandaar zijn opmerkelijke verzoek om een grafschrift van het NHM. Hij laat zijn gedrag door een ander wegmoffelen, in een fraai betoog. Nederig stilzwijgen zou passender zijn geweest.

Dat het Nederlands Openluchtmuseum en het Rijksmuseum Amsterdam nu samen onderzoeken of er toch iets in het verfoeide Arnhem kan komen, zal hem niet lekker zitten. ‘Maar ach, wat na mij komt is peanuts’, lijkt Schilps onderliggende boodschap. ‘Wat ze nu willen is niets in vergelijking met mijn grootse visie’, zal hij wel denken. Als waarnemer op afstand zou ik zeggen: laten we dat eerst maar eens afwachten.

Het is een kans. Het Rijksmuseum heeft de originele voorwerpen en schilderijen in zijn kelders en de beste wetenschappelijke staf. Het Nederlands Openluchtmuseum heeft binnen zijn grenzen de ruimte en de organisatie. Beide hebben elkaar intussen gevonden. Slechts een paar miljoen euro is nodig, geen 15, laat staan 50 miljoen. De staatssecretaris wacht geïnteresseerd de plannen af.

Waarschijnlijk zal een spannende filmische weergave van de canon van onze geschiedenis voor bezoekers meteen bij binnenkomst de eerste stap zijn. In een volgende fase zal een expositie van onbekende stukken uit het Rijksmuseum kunnen volgen.

Wie weet kan dan het debat, dat Heijne zo aanprijst, dan toch worden gevoerd op de plaats waar het hoort – in het ‘Nederlands Museum’.

Mr P. Scholten is voormalig burgemeester van Arnhem.