'Je moet offers brengen'

Van de jongste generatie violisten bezit Vilde Frang het sterkst een eigen geluid. In 2012 debuteert ze in Rotterdam en Den Haag.

Soms is de lont waarmee een carrière wordt aangestoken weinig verheffend. Voor de Noorse violiste Vilde Frang (25) was het de Volkswagen van haar vader. „Mijn zusje en mijn vader spelen contrabas en ik wilde dat dus ook”, vertelt ze. „Maar mijn vader verbood het me: nog een bas zou niet meer in de auto passen. Dus werd het een viooltje.”

In Noorwegen was Vilde Frang een soort Janine Jansen: als tiener al winnares van prijzen, concerten en beurzen. Toen Frang dertien was, zag dirigent Mariss Jansons, nu chef-dirigent van het Koninklijk Concertgebouworkest en toen nog van het orkest in Oslo, haar op televisie omdat ze een muziek- en gedichtenwedstrijd had gewonnen. Hij vroeg haar meteen om bij zijn orkest te komen soleren.

„Dat was het moment waarop ik besefte dat vioolspelen misschien echt mijn beroep zou kunnen worden”, zegt ze. „Het markeerde een overgang. Ik studeerde aan een zeer besloten en geborgen instituut in Oslo, waar alles draaide om de muziek. Door dat concert realiseerde ik me dat er ook managers, honoraria en carrièreplanning bestaan. Het was niet zo dat ik ook meteen een carrière had, maar ik werd wel af en toe gevraagd voor concerten in het buitenland. Dat waren de wortels die ik voor mijn neus hing om naartoe te studeren.”

Vilde Frang kreeg haar eerste viool toen ze vier was. „Je moet je er niet te veel bij voorstellen, hoor”, nuanceert ze. „Mijn vader had zelf een oefenviooltje voor me geknutseld – van bordkarton. God, wat haatte ik dat ding! Ik smachtte naar een instrument dat leefde, dat kon spelen. Maar voor de elementaire motorische vaardigheden waarmee vioolspelen begint, kon het best. Na een jaar kreeg ik gelukkig wel een echte.”

Is het goed een kind zo jong te dwingen een instrument te leren bespelen? Die vraag, onlangs dankzij de Amerikaanse Amy Chua en haar Strijdlied van een tijgermoeder nog covernieuws, is voor Frang weinig prangend. „Ook ik was als kind echt niet dol op studeren, hoor. Maar ik voelde wel dat die viool bij me hoorde; dat was een vraag die ik mezelf niet heb hoeven stellen.” Studeren hoorde daar gewoon bij. „Dat begon met een ‘gedwongen’ half uurtje per dag, vooral om de sensatie van routine te proeven, liep op tot drie uur en werd pas na mijn twaalfde echt serieus. Toen kreeg ik ook zelf door dat er niks beters is dan het bevredigde gevoel na het studeren. Ik word nog steeds van niks gelukkiger.”

Toen Vilde Frang vijftien was, werd de Duitse violiste Anne-Sophie Mutter haar mentor. Frang kreeg een stipendium en verhuisde naar München. „Wel zo gezond” noemt ze die ervaring. „Noorwegen is zo klein. Als ik serieus door wilde met de viool moest ik onderzoeken hoe mijn niveau zich verhield tot andere jonge Europese violisten. Het is beter klein te zijn in Europa dan een soort heilige koe in Noorwegen. Door vroeg op eigen benen te staan ben ik veranderd, maar dat was ook nodig. Je wordt alleen artiest als je dat echt graag wilt. En dan kun je er maar beter aan wennen dat het overwinnen van weerstand daarbij essentieel is. Je moet voelen wat het is offers te brengen voor wat je het liefste wilt.”

En studeren bij de als zeer streng te boek staande Mutter? „Dat was in zekere zin ook zo’n offer”, lacht ze. „Ik was doodsbang voor haar. Mutter is een warme vrouw, maar ze zegt altijd precies de dingen die je niet wilt horen. Ik ben in alle eerlijkheid echt heel streng voor mezelf, maar zij was nog vele malen strenger.”

Elektrische tandenborstel

25 is ze nu, en de laatste tijd begint de naam Vilde Frang internationaal rond te zoemen. Ze heeft een platencontract bij EMI en bracht na haar met een Edison bekroonde debuut met de vioolconcerten van Sibelius en Prokofjev onlangs haar eerste – fantastische – sonatealbum uit, gewijd aan Strauss, Elgar en Bartók. Wat frappeert is haar lef, stijlgevoel, de echt eigen toon in zeer uiteenlopende sferen, de onontkoombare muzikaliteit en de eigenzinnige repertoirekeus. Ze verbleekt niet in vergelijking met generatiegenoten als Julia Fischer (28), Sarah Chang (31), Hilary Hahn (32) of Janine Jansen (33) maar valt op door eigenheid en de risico’s die ze zich daartoe permitteert.

„Een goede violist is geen violist maar een musicus”, vindt ze. „Iemand die zijn eigen partij beschouwt vanuit breder perspectief. Soms moet je als violist klinken als een hoorn, soms als een elektrische tandenborstel. Als ik vanuit de viool denk, word ik claustrofobisch. Ik wil geen klank hebben, maar een stem. De viool is daarbij ‘instrument’, geen einddoel. Dat is ook wat ik bewonder aan iemand als Pekka Kuusisto, die niet alleen in klassiek repertoire excelleert maar ook laat horen wat je in jazz, pop en improvisatiemuziek nog allemaal meer kunt doen met een viool. En ook Janine Jansen is wat dat betreft een voorbeeld voor me. Ze bewijst niks, ze deelt iets – iets zeer eigens. Pablo Picasso kon prachtig schilderen, maar hij koos ervoor Picasso te worden. Dat eigene – dat is uiteindelijk wat telt.”

De veelbesproken documentaire Janine over Janine Jansen van Paul Cohen heeft Frang niet gezien. Maar het onderwerp – hoe commerciële krachten een artiest kunnen gijzelen – houdt haar wel bezig. „Het sluit aan bij wat ik zei over eigenheid. Door iets van jezelf te delen, stel je je kwetsbaar op; je maakt van jezelf een soort aangeschoten wild. Alles wat men van je wil is in principe tegengesteld aan wat je zelf wilt, namelijk gewoon muziek maken. Tegelijkertijd heb je marketing en pr gewoon nodig. De enige remedie is denk ik om je bewust te zijn van de gevaren en vast te houden aan de innerlijke kracht die je ooit naar de muziek toedreef. Ik ben liever een saaie violiste die trouw is aan haar eigen beginselen dan een flashy solist zonder focus, of een altijd maar rondreizende schim van mezelf.”

Frang geeft op dit moment tachtig concerten per jaar. Meer moet het niet worden, vindt ze. „Het is net genoeg om elk concert goed voor te bereiden en je ook nog op elk concert te verheugen.” Volgende week soleert ze bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, in april bij het Residentie Orkest. Later volgen debuten bij de Wiener Philharmoniker en het orkest van Bayerische Rundfunk, het ‘andere orkest’ waarvan Mariss Jansons de chef-dirigent is. Haar debuut bij het Concertgebouw is voorlopig nog „iets om op te hopen”. „Ik heb het orkest eens Mahlers Tweede symfonie horen spelen onder Bernard Haitink. Dat vergeet ik nooit meer, dat soort ervaringen kan ontzettend vormend zijn. Toen ik Simon Rattle met de Berliner Ein Heldenleben van Strauss hoorde spelen, kreeg ik ontzettend zin om de vioolsonate van Strauss te gaan spelen. Die triomfantelijke, heroïsche toon bleek mijn sleutel tot Strauss.”

Zo werkt het vaker, legt ze uit. „Het leven van een solist is niet altijd magisch. Je moet je eigen manier vinden om geïnspireerd te blijven, iets te kunnen toevoegen.” In de toekomst zou ze graag samenwerken met fotografen, met de choreografen die ze bewondert, zoals Paul Lightfoot en Sol León, haar talent beproeven in andere genres. „Maar je kunt er niet omheen om ook je relatie met het ijzeren vioolrepertoire te onderhouden. Dat is niet altijd makkelijk. Soms ben ik in de stemming voor het vioolconcert van Britten maar staat Mendelssohn op het programma. Dat voelt dan als een lievelingstrui die knelt. Maar uiteindelijk is smaak een dynamisch proces. Als kind was ik dol op Mozart, daarna zag ik vijftien jaar niets in zijn ‘eenvoud’ en nu besef ik hoe diep die ‘eenvoud’ in wezen is, en waardeer ik hem meer dan ooit. Je gaat als violist hand en hand met de grote componisten door het leven.”

Komende zomer verschijnt haar derde cd, dan met vioolconcerten van Carl Nielsen en Tsjaikovski. „En daarna is het afwachten”, zegt ze. „Een cd-contract en de deels daaruit voortvloeiende roem zijn tegenwoordig een zeepbel, hoor. Je doet er verstandig aan intens van alle kleuren te genieten – voor zolang als het duurt.”

Frang speelt op 13 en 14 jan. het Tweede vioolconcert van Bartók bij het Rot. Phil. Orkest. Inl: 010-2171717. 13 en 14 april vioolconcert van Sibelius bij het Residentie Orkest.