Gevoeliguh typus, tieft toch op!

‘Ankers personages zijn sprekende wajangpoppen’. Wajangspel van Ki Enthuis Susmono in het Tropenmuseum in Amsterdam, 2009 (Foto Leo van Velzen)

In het westen, de laatste trans, de nieuwe dichtbundel van Robert Anker, is een politiek en sociaal actueel pamflet. Had Anker niet beter een essay kunnen schrijven?

Robert Anker begon zijn dichterscarrière in 1979 met raak geschetste, rustig geformuleerde natuurgedichten in Waar ik nog ben. In de loop van de jaren tachtig maakte het landschappelijk decor in zijn werk plaats voor het hectische stadsleven. In die stedelijke omgeving was Anker behalve dichter ook leraar op wat toen nog een ‘gemengde’ school mocht heten. Allochtone leerlingen werden Ankers romanpersonages, en hun taal drong ook door in zijn poëzie.

Al die tijd bleven zijn persoonlijke leven en zijn eigen omgeving nog herkenbare uitgangspunten, maar in gemraad slasser d.d.t. sloeg hij een poëtische haak. De taal vloog in die bundel los van de mededeling. Straattaal bezigde Anker nu, taal die wel boodschappen uitzendt, maar slechts in imponerende zin. Taal waarbij je al lezend onderstrepende gebaren ziet. Taal ook die vooruit lijkt te lopen op een nog uit te geven woordenboek.

Ik vond dat een indrukwekkend vertoon van experimenteerlust, maar echt bekoren deed het me niet. Dat geldt ook voor Ankers nieuwe bundel, In het westen, de laatste trans. Bracht hij in De broekbewapperde mens (2002), het echtpaar Senex en Safinur in een cyclus van tien gedichten breedsprakig in beeld – nu wijdt hij een hele bundel aan een stel orerende personages. Jarvaï en Mensoorah heten ze en ze praatten gedurig, op klinkklaar retorische toonhoogte. In toneeltaal, lijkt het wel. Tweemaal wordt hun dialoog ook als toneeltekst gepresenteerd.

Abonnees lezen Arien van den Bergs volledige bespreking van Ankers bundel hier.