Geheimen en paranoia van moederskindje Hoover

J. Edgar. Regie: Clint Eastwood. Met: Leonardo DiCaprio, Naomi Watts, Armie Hammer, Judi Dench. ***

In de eerste scène van J. Edgar, Clint Eastwoods portret van J. Edgar Hoover, die tussen 1924 en 1972 hoofd was van de FBI, dicteert hij zijn memoires. Hoe onbetrouwbaar deze zijn blijkt aan het eind van de ruim twee uur durende film, als Clyde Tolson, zijn loyale rechterhand bij de FBI, opsomt wat er niet aan klopt. Hoover was niet vies van zelfpromotie; het is niet verwonderlijk dat hij het ‘when the legend becomes fact, print the legend’-adagium aanhangt. Het scenario van Dustin Lance Black (Milk) probeert deze mythevorming af te pellen. Achter zijn publieke imago als machtig misdaadbestrijder liggen geheimen. Zo was Hoover (Leonardo DiCaprio) een moederskindje en zou hij volgens velen stiekem een verhouding hebben met Tolson (Armie Hammer). Begin jaren 20 doet Hoover een meisje een huwelijksaanzoek, dat zij afwijst. Ze wordt liever zijn secretaresse, en dat zal Helen Gandy (Naomi Watts) haar hele leven zijn. Ze overleeft Hoover en speelt een belangrijke rol bij het vernietigen van zijn private files, met heimelijk verkregen informatie over het seksleven van presidenten en andere hooggeplaatsten. Informatie die hij niet schroomt te gebruiken om vijf decennia baas van de FBI te blijven.

De vele donker belichte scènes in J. Edgar bekrachtigen Hoovers duistere wereldbeeld, waarin paranoia en (irrationele?) angst voor het Rode Gevaar een grote rol spelen. Buiten Tolson en Gandy vertrouwde hij niemand. Hoewel de make-upeffecten die de acteurs bejaard maken J. Edgar vaak in de weg zitten, lukt het Eastwood om de film meer te laten zijn dan een stroperige, geïllustreerde geschiedenisles. Want zijn paranoïde, machtige figuren die de regels die ze zelf (mede) gecreëerd hebben met voeten treden niet van alle tijden?

André Waardenburg