Europa mag niet te mild zijn voor Hongarije

Een jaar geleden voelde de Europese Unie zich ongemakkelijk toen Hongarije aan de beurt was om voor zes maanden het voorzitterschap te bekleden. Viktor Orban, de premier van het land, was toen al begonnen de populistische beloften in te lossen waarmee zijn partij een tweederde meerderheid in het parlement had behaald.

Orban belastte buitenlandse bedrijven, bedreigde de banken en maakte de media monddood met een wet die van een „gebrek aan objectiviteit” een strafbaar feit maakte. Hij had zich ook voorgenomen serieuze beperkingen op te leggen aan de onafhankelijkheid van de centrale bank. Europese functionarissen en de regeringen van EU-landen gaven uitdrukking aan hun „zorgen” en Orban verzachtte zijn retoriek.

Hongarije heeft bij zijn Europese partners inmiddels iets ergers bewerkstelligd dan louter een ongemakkelijk gevoel. Hoewel Orban zegt dat hij concessies heeft gedaan, zet hij zijn meest buitenissige plannen in feite onverdroten door.

Een nieuwe wet breidt de invloed van de regering op de centrale bank uit, en er zijn geen tekenen dat het regime minder autoritair aan het worden is. Een bizarre speling van het lot wil dat Orban juist op dit moment om financiële hulp heeft aangeklopt bij Europa en het Internationaal Monetair Fonds (IMF).

De potentiële redders reageren zoals zij zouden moeten doen, door te eisen dat Hongarije de wet over de centrale bank intrekt, evenals de vorig jaar ingevoerde vlaktaks van 16 procent op het individuele inkomen, die desastreuze gevolgen heeft voor de begroting.

Maar de Europese partners staan voor een moeilijke keuze: wat moeten ze doen met een land dat gedragingen vertoont die ooit zouden hebben verhinderd dat het zou worden toegelaten tot de Unie?

Hongarije kan het zich niet echt veroorloven de eisen van zijn partners te negeren. De rente op de Hongaarse staatsobligaties met een looptijd van tien jaar schommelt rond de 10,5 procent, en de Hongaarse munt, de forint, is er vorig jaar in geslaagd ruim 12 procent te dalen ten opzichte van de verzwakte euro.

De schuld van het land bedraagt nu 82 procent van het bruto binnenlands product, aldus schattingen van de centrale bank, die door het team van Orban fel worden betwist.

De regering-Orban wordt ervan verdacht de reserves van de centrale bank te willen gebruiken om een deel van haar schulden af te lossen, net zoals zij een jaar geleden de pensioenfondsen heeft geplunderd. Dit is geen rare gedachte. Orban wordt al vergeleken met een spookrijder die de lichtsignalen van tegemoetkomend verkeer blijft negeren.

Het is een toepasselijke metafoor, omdat er maar twee mogelijke uitkomsten zijn: een enorm ongeluk, of een radicale ommekeer.

Pierre Briançon

Vertaling Menno Grootveld