Een voorspoedig 2133!

In Rotterdam werkt kunstenaar Arnoud Holleman in opdracht van het CBK aan een tijdcapsule die pas in het jaar 2133 geopend mag worden. Hoe die tijdcapsule eruit komt te zien is nog een verrassing, maar voor de inhoud worden de lezers van NRC Handelsblad om een bijdrage gevraagd. Doe mee aan deze schrijfwedstrijd en laat uw gedachten inmetselen voor de toekomst!

In 2133 mag een tijdcapsule, die komend jaar ingemetseld wordt aan de Wilhelminakade op de Kop van Zuid, geopend worden. Die periode van 121 jaar is, net als het idee voor de capsule, een afgeleide van een gebeurtenis van 121 jaar geleden. Op 30 mei 1891 metselde de toen 10-jarige koningin Wilhelmina een document in een loden koker en plaatste deze in een gedenksteen, waarna de Wilhelminakade officieel haar naam droeg.

Tijdcapsules zijn er grofweg in twee soorten: die je openmaakt en leeghaalt, of die je vult en dichtdoet. In het ene geval maak je contact met je voorvaderen, in het andere geval met je nazaten.

In de eerste categorie zijn de mooiste capsules even toevallig ontstaan als dat ze ontdekt zijn. De grotten van Lascaux en Chauvet werden onbedoeld millennialang van de buitenwereld afgesloten en piramides zijn nooit gebouwd om door mensenhanden geopend te worden. En in Parijs werd vorig jaar nog de voordeur van een chic appartement geforceerd. De huur was altijd doorbetaald terwijl de bewoonster er zeventig jaar lang niet meer geweest was. De vrouw woonde permanent aan de Côte d’Azur; na haar dood vonden verre erfgenamen het interieur precies zoals het voor de oorlog was achtergelaten.

Los van hun wetenschappelijke waarde ligt de aantrekkingskracht van tijdcapsules in de ‘historische sensatie’ die ze teweegbrengen. Deze term, in 1920 door Johan Huizinga gemunt, wordt gebruikt om een intense ervaring van het verleden te beschrijven, die in het hier en nu plaatsvindt. De tegenhanger hiervan bestaat natuurlijk ook. De historische sensatie wordt dan geprojecteerd op de toekomst: we ‘denken onszelf in de verleden tijd’ en laten aan toekomstige generaties zien ‘wie wij waren’.

De tijdcapsules die hierbij horen, zijn per definitie bewust samengesteld. Ze bestaan met en zonder einddatum. Want je kunt aan het toeval overlaten wanneer de capsule geopend wordt, maar je kunt dat moment van openen ook vooraf vastleggen.

Wilhelmina was hier

De koker die in 1891 door de jonge Wilhelmina in Rotterdam in een gedenksteen in de kademuur werd geplaatst, is een voorbeeld van een capsule zonder einddatum. Vijfentachtig jaar later en veertien jaar na de dood van Wilhelmina werd de steen van haar plek gelicht en de inhoud ongeschonden teruggevonden. Wat er in zat was geen verrassing, want dezelfde boodschap stond ook op de steen waarin de koker zat. Alleen de kinderlijke handtekening op de oorkonde zorgde voor ontroering. Het was de koninklijke versie van het menselijk verlangen om het eigen bestaansbewijs in de tijdlijn van de eeuwigheid te krassen. Wilhelmina was hier – maar dan in wollige taal en krulletters.

De eerste capsules met einddatum werden rond het eerste eeuwfeest van de Verenigde Staten, in 1876, samengesteld. Die aanpassing verraadt een mentaliteitsverandering die hoort bij het toenmalige tijdsgewricht, waarin geschiedenis een officiële wetenschap werd en Darwins evolutietheorie brede bekendheid kreeg. Je zou kunnen zeggen dat het de externe blik op onszelf was die haar intrede deed en dat nieuwe bewustzijn stimuleerde het ontstaan van een nieuw soort tijdcapsule.

Aanvankelijk gebeurde het kleinschalig, maar in de loop van de decennia werd de inzet steeds hoger. De meest ambitieuze tijdcapsule bevindt zich in de kelders van de universiteit van Oglethorpe in Atlanta. De Crypt of Civilization vergde drie jaar voorbereidingstijd en kostte een vermogen. Zesduizend jaar menselijke kennis werd opgeslagen op 640.000 microfilms. Ze liggen opgeslagen samen met de meest uiteenlopende artefacten van het dagelijks leven in de jaren dertig, zoals een scheerapparaat, een corrigerende bustehouder, een schriftelijke cursus Engels en een Donald Duck-poppetje.

„Wij zijn de eerste generatie die in staat is om onze archeologische plicht ten opzichte van de toekomst te vervullen zonder de hulp van natuurlijke fenomenen.” Zo legitimeerde de initiator, Thornwell Jacobs, zijn project destijds. Hoe hoog voor hem de lat lag, zie je ook aan de beoogde einddatum: 28 mei 8113. Die datum is afgeleid van de periode tussen de vroegst bekende kalender in Egypte en het moment dat de capsule werd verzegeld, op 28 mei 1940.

Het is wrang dat de capsule met hooggestemde inhoud verzegeld werd op het moment dat de Tweede Wereldoorlog een paar weken oud was. En het is niet echt verwonderlijk dat de Crypt of Civilization na de oorlog geen serieuze navolging meer heeft gekregen. Er kleeft een zekere hoogmoed aan, iets Don-Quichotterigs, waartegen Albert Einstein zich in 1938 nog probeerde in te dekken. Hij eindigde zijn bijdrage aan een capsule in Pennsylvania met: „I trust that posterity will read these statements with a feeling of proud and justified superiority.”

Ironische distantie

Wie zich verdiept in de geschiedenis van tijdcapsules vindt genoeg redenen om er geen te maken. De meeste verdwijnen, omdat ze vergaan of omdat ze worden vergeten. Toch zijn we bezig om er een in Rotterdam samen te stellen. Want ook al zijn we tegenwoordig geneigd om alleen met ironische distantie naar tijdcapsules te kijken, ze bieden nog steeds mogelijkheden. Niet zozeer voor onze nazaten, maar voor onszelf.

Onze tijdcapsule is vooral interessant in relatie tot de functies die de Wilhelminakade sinds 1891 allemaal gehad heeft. De plek begon als een goederenhaven waar producten van de industriële revolutie naar alle uithoeken van de wereld werden verscheept. Al snel werden die goederen vervangen door honderdduizenden Nederlanders, die als emigranten hun vaderland verlieten. Na die uittocht werd de Wilhelminakade in de jaren tachtig opnieuw uitgevonden als pioniersgebied van (cultureel) ondernemerschap. Krakers en kunstenaars werden gedoogd als eerste fase van een langdurig gentrificatieproces. In 1993 werd het trendy Hotel New York geopend. Bezoekers moesten – heel postmodern – nog langs een slagboom aan het begin van het vervallen haventerrein. Maar wie er vandaag naartoe gaat, rijdt een overvormgegeven ‘maritieme belevingswereld’ binnen, tussen wolkenkrabbers in aanbouw, waarmee Rotterdam zich als ‘Manhattan aan de Maas’ op de wereldkaart wil profileren.

En wat in het klein geldt, geldt ook in het groot. Als de kleine Wilhelmina in 1891 een blik in haar toekomst gegund was, was ze er niet vrolijker op geworden. Tijdens haar regeerperiode kende de wereld behalve enorme vooruitgang ook een ongekende vernietigingskracht, met atoombommen als apotheose. Na de oorlog en na haar troonsafstand begon in Nederland de wederopbouw. Maar als wij die term tegenwoordig gebruiken, bedoelen we inmiddels alweer iets uit het verleden. Sinds de jaren zeventig wonen we in een welvaartsstaat. We schommelen tussen hoog- en laagconjunctuur, maar altijd met een minimale ondergrens van welzijn. En het toekomstbeeld dat daarbij hoort, vonden we tot voor kort alleen nog maar in de disclaimers van financiële producten: in het verleden behaalde resultaten geven geen garantie voor de toekomst.

Met de escalerende eurocrisis en de spanning tussen regionalisme en globalisering komt het gewoonterecht van een comfortabele toekomst echter in gevaar. De economische vooruitgang dreigt in achteruitgang om te slaan. Onenigheid over mogelijke oplossingen zorgen voor polarisatie in de politiek, waar eensgezind handelen juist noodzakelijk is.

In deze setting krijgt ideevorming over de toekomst een nieuwe functie. Het besef dringt door dat we de toekomst te lang als een wingewest hebben geplunderd en dat we daarom op zoek moeten naar een nieuwe relatie met de tijd die voor ons ligt.

Wat voor effect hebben de beslissingen die we nu nemen op de wereld van morgen? Lukt het ons om voorbij onze eigen sterfelijkheid te kijken? En tot wie richten we ons dan? De hele mensheid of onze eigen achterkleinkinderen? Waar zouden wij – in 2133 – onze voorouders anno 2012 dankbaar voor zijn? Wat zouden we hun verwijten? En vooral: kunnen we de uitkomst van zo’n denkoefening in concreet handelen vertalen?