Een bankrun wil je liever niet op je geweten hebben

„Wat hebben jullie toch tegen de Duitsers? Jullie zitten constant op ons in te hakken, ik word er niet goed van!” Het wordt doodstil aan tafel. De Zweed, Bulgaar, Spanjaard, Nederlander en een paar andere Europeanen die in Brussel werken, kennen elkaar zo langzamerhand vrij goed. Ze eten vrijwel elke maand samen in het huis van een van hen. En waar heb je het aan een Brusselse eettafel tegenwoordig anders over dan over de crisis? Dus ontspint zich, zoals altijd, een geanimeerde discussie. Natuurlijk gaat die over Angela Merkel, die een hoofdrol speelt in de crisis. Natuurlijk krijgt zij er flink van langs. Iedereen krijgt er van langs – want de eters zijn het erover eens dat de politici die geacht worden ons door de crisis te leiden, er een potje van maken.

Maar nu zwijgen zij. Want de Duitser houdt het niet meer. De Duitser ontploft. Iemand die niet eens op Merkel stemt, vat kritiek op de Europese crisispolitiek van de bondskanselier persoonlijk op. En raast: „Wat moet Duitsland dan doen? Nou?!”

Dat dit soort nationale gevoeligheden zo opspelen, is in de sociale Brusselse circuits vrij ongebruikelijk. Een Nederlander of een Fransman of een Duitser verliezen hier hun identiteit niet en kunnen meestal goed aan anderen uitleggen waarom ‘de Duitsers’ of ‘de Nederlanders’ ergens zus of zo over denken. Na een tijdje ga je zo met enige afstand naar je ‘eigen’ regering kijken, en naar nationale hebbelijkheden en onhebbelijkheden. Je raakt eraan gewend dat standpunten van jouw land in Europa soms niet of nauwelijks door anderen worden gedeeld. Brussel is soms een beetje het Europa dat de founding fathers voor ogen hadden: in plaats van meteen uit je slof te schieten, leer je naar anderen te luisteren – en zo zie je dingen net in een iets ander perspectief.

Toen die Duitser aan tafel wél uit zijn slof schoot, wisten de anderen even niet wat ze moesten zeggen. Iedereen voelde: dit had niets te maken met onbenullige nationale clichés over luidruchtige Hollanders met designbrillen, zingende Denen in slechte bruine pakken of gebotoxte Griekse vrouwen die van dezelfde vier, vijf politieke families lijken te stammen. Nee, hier was echt iets aan de hand.

In de lidstaten gaat het al langer zo: Portugezen praten over de nieuwe Duitse bezetting van Europa en wat de Grieken hierover zeggen wil je al helemaal niet weten. De Britten denken dat de Fransen alle hedgefondsen van Londen naar Parijs willen halen en veel Fransen geloven dat de Duitsers de crisis op haar beloop laten omdat ze als exportland baat hebben bij een lage euro.

En dit zijn nog relatief vriendelijke versies. Op de vraag waarom er in Duitsland zoveel openbaar debat is over leningen aan Griekenland en in Frankrijk helemaal niet, antwoordde een hooggeplaatste Duitser (het was toch off the record) dat de Fransen maar met één ding bezig zijn, namelijk zorgen dat het Europese noodfonds groot genoeg is om straks de Franse banken te kunnen redden. „Waarvoor Duitsland natuurlijk moet betalen.”

Een Franse econoom – ook niet de eerste de beste – maakte het nog bonter. Hij zei dat „Duitsers nooit hebben begrepen wat solidariteit is”, maar dat Fransen dat juist in hun bloed hebben. Vervolgens begon hij een tirade over nazi’s die joden vervolgden in Griekenland. Wie zich met de Europese crisis bezighoudt, haalt af en toe deksels van putjes die hij er bij nader inzien liever op zou laten zitten.

Maar goed: dit gebeurde allemaal in de hoofdsteden, niet in Brussel. En dat begint nu te veranderen. Een prachtig voorbeeld leverden Italiaanse journalisten in Brussel. Het was eind oktober, in de laatste weken van Silvio Berlusconi. Merkel en Sarkozy kregen op een Europese top de vraag of Berlusconi zich aan zijn beloftes zou houden en hervormingen in Italië zou doorvoeren. Merkel en Sarkozy keken elkaar aan en begonnen langzaam te lachen. Daarna zeiden ze beiden dat ze er natuurlijk vertrouwen in hadden dat de Italiaanse premier, blabla, enzovoort. Maar het echte antwoord, dat was natuurlijk dat lachje.

En dezelfde Italiaanse journalisten die al jaren zeiden dat ze zich kapot schaamden voor hun premier, de journalisten wier werk al zolang bemoeilijkt werd doordat het Italiaanse staatsapparaat werd ingezet om Berlusconi positief in de pers te krijgen – diezelfde journalisten liepen geschokt door de gang. Wat Merkozy wel niet dacht. Een heel land zo behandelen! En een groot land nog wel! „Heel Italië is nu beledigd”, zei een van hen, een man die een paar dagen eerder nog een enorm geestige ‘brief’ had gemaakt vol taalfouten en hanepoten, die Berlusconi bij wijze van plechtige belofte aan andere Europese regeringsleiders zou hebben geschreven. Iedereen moest zo om die brief lachen dat de journalist kopieën uitdeelde in het Europese vergadergebouw. Een andere journalist mompelde, zichtbaar aangeslagen: „Dit is het eind van Europa. Als volkeren zo kunnen worden geschoffeerd.”

Hebben Nederlanders hier persoonlijk aanstoot genomen aan de eindeloze grappen over hun land als grootste van de kleine Europese landen of als kleinste van de groten? Welnee, ze deden er zelf aan mee. Nu nog komen de beste pastiches over de Europese referenties van minister Bleker („Hello! I’m fokking horses!”) van Brusselse Nederlanders zelf. De Belgen, die het wereldrecord ‘regeringsloosheid’ zo glorieus hebben gebroken, lachten altijd dapper mee als anderen daar grappen over maakten. Zelfs toen Oostenrijk zo’n tien jaar geleden geboycot werd omdat de extreem-rechtse partij van Jörg Haider in de regering zat, zaten Oostenrijkers in Brussel niet te mokken. Sommigen vonden het besluit verstandig, anderen vonden het dom. Daar hadden ze verhitte debatten over, onderling en met andere Europeanen. Maar dat beledigde gebok, dat was gedrag dat zelfs Oostenrijkers toen niet vertoonden.

De crisis woelt onvermoede sentimenten los, zelfs in het meest Europese subcultuurtje van Europa. Eén zwaluw maakt geen zomer. Twee ook niet. Maar sommigen zien dat als een onheilspellend teken. „Als we elkaar zelfs in Brussel niet meer begrijpen of niet meer wíllen begrijpen, gaat het echt niet goed met Europa. Want daar is Brussel voor uitgevonden.”