De Chinese reus wankelt

Welvaart en groei voorkwamen in China tot nu toe grote spanningen. Maar de vooruitgang hapert. De eigen bevolking mort en het buitenland wordt steeds argwanender, constateert Jonathan Holslag.

‘Nee, wij zijn geen consumptieslaven.” sist juffrouw Wen gedecideerd. „Als de wereld denkt ons Chinezen in de waan van welvaart te houden of onze leiders onder druk te zetten, dan denkt de wereld dat verkeerd.” Slechts twintig is ze en die twee decennia passeerden als een uitputtingsslag, net als voor de meeste andere studenten voorin de aula van een Pekinese topuniversiteit. „Er resten ons veel onzekerheden, maar één ding weten we zeker: de terugkeer naar armoede en onrust is geen optie.”

Maar juist op die gebieden dreigen de komende jaren voor China moeilijk te worden. De groei stokt, de ontevredenheid neemt toe, de Partij wordt zenuwachtig en de rest van de wereld heeft minder vertrouwen in de ambities van de grootmacht.

Industrialisering is voor elk land een tumultueus proces. Dat is in China, met zo’n negentigduizend officieel geregistreerde protesten per jaar, niet anders. Zolang de frustratie zich tegen lokale partijbonzen keerde, konden de nationale leiders zich echter opwerpen als de ware hoeders van het volkse belang. Deze rolverdeling heeft zijn houdbaarheid bereikt. Het volk mort nu ook openlijk over de onmacht en onwil van de nationale Partijleiders om willekeur en ongelijkheid aan te pakken. „Onze leiders hebben een enorm geloofwaardigheidsprobleem”, vertrouwde een professor aan de Centrale Partijschool me toe, „er worden beloftes gedaan over een harmonieuze samenleving, maar de ongelijkheid, de willekeur en de discriminatie zijn alleen maar toegenomen”.

Die wrevel werd beperkt door de hoop op welvaart en groei. Juist die economische groei komt in het gedrang. Het is zorgwekkend hoe de beleidsmakers die me enige jaren geleden nog op de borst drukten dat China hoge toppen zou blijven scheren, nu toegeven niet meer te weten hoe de economie bij te sturen.

De groei in de Volksrepubliek wordt aangedreven door investeringen in wegen, fabrieken en vastgoed die de vraag ver overschrijden. Dat leidt tot overschotten: ongebruikte infrastructuur, lege appartementen en fabrieken die moeten exporteren om te overleven. De kloof tussen investeringen en consumptie blijft uitdijen, waardoor een soort piramidespel ontstaat: investeringen in infrastructuur worden verder aangemoedigd om voldoende groei te creëren die investeerders moet toelaten hun gigantische leningen af te lossen.

Opnieuw zou men kunnen aanvoeren dat dit op zich niets abnormaals is. Behoeft elk ontwikkelingsland immers niet eerst de nodige infrastructuur om competitieve industrieën uit te bouwen en de migratie naar de steden op te vangen? Zeer zeker, maar als we aanvaarden dat China een normaal industrialiserend land is, dan moeten we ook de onvermijdelijke crisissen aanvaarden.

En er is meer. Een door investeringen aangedreven groei leidt per definitie tot overschotten van goederen die moeten worden geëxporteerd, hetgeen aanleiding geeft tot spanningen met andere handelsnaties die hun economische belangen bedreigd zien. De Chinese overheid, zo vatte een hoge ambtenaar van het Chinese Planbureau het samen, „is het slachtoffer van de verzuchtingen die we zelf gecreëerd hebben”.

Chinese diplomaten spreken over het spanningsveld tussen intern economisch nationalisme en buitenlands protectionisme. Dat laatste zien zij overal de kop op steken. In Europa, waar de Commissie werk maakt van een assertief handelsbeleid. In Washington, waar het Congres oorlogstaal spreekt. De diplomatieke wrevel is niet beperkt tot economische aangelegenheden. Buurlanden zoeken elkaars toenadering om te voorkomen dat China haar economische gewicht omzet in politieke invloed.

China wankelt en ziet tezelfdertijd haar omgeving achterdochtiger worden. De huidige Partijtop – onder leiding van Hu Jintao, Wu Bangguo en Wen Jiabao – is zich goed bewust van die uitdagingen en tracht vooral te voorkomen dat spanningen escaleren. In het binnenland heeft zij de strijd tegen corruptie opgevoerd en meer sociale maatregelen beloofd. In het buitenland tracht Peking het wantrouwen weg te masseren door meer economische samenwerking te promoten, China te profileren als een rolmodel voor ontwikkelingslanden en vooral zeer voorzichtig te reageren op Amerika’s diplomatieke krachtpatserij in de regio.

Het blijft evenwel bij lapmiddeltjes. Doortastende economische hervormingen zitten er niet in en de Chinezen zijn al helemaal niet van plan om hun belangen inzake de Zuid-Chinese Zee, Taiwan of Noord-Korea te laten varen om andere grootmachten ter wille zijn. De armslag om de economische en diplomatieke dilemma’s aan te pakken is dus zeer gering.

Daarenboven duiken we in een politiek overgangsjaar, waarbij de top van het permanente partijcomité en de staatsraad worden vervangen. In dit proces maken vooral de conservatieve communisten zich op om het laken naar zich toe te trekken. Zij verwijten de huidige leiders de socialistische grondslag van de republiek te verloochenen en de nationale stabiliteit in gevaar te brengen. Nieuwe politieke gangmakers als Xi Jinping, Li Keqiang, Bo Xilai en Li Yuanchao – namen die we de volgende jaren ongetwijfeld meer zullen horen – mogen er dan hun neus voor ophalen, door interne verdeeldheid zullen ze dat donkerrode communisme niet kunnen negeren.

China bevindt zich dus wederom op een tweesprong. De laatste vier decennia koos Peking steeds voor meer openheid: na de Culturele Revolutie, na de protesten op het Tiananmenplein, en na toenemende sociale spanningen in de jaren 90. Nu ligt dat anders. Grote leiders of hervormers zijn niet te bespeuren. De internationale context is ook veel argwanender. Grootmachten worden wispelturig als ze wankelen. Ondanks het politieke monopolie van de Partij is dat niet anders voor China. Wellicht is het zelfs vooral door het politieke monopolie dat China het hard te verduren zal krijgen nu drie decennia van voorspoed plaatsmaken voor een periode van sociale en diplomatieke hoogspanning.

Jonathan Holslag is onderzoeker aan het Brussels Institute of Contemporary China Studies. Zijn jongste boek is Trapped Giant: China’s Troubled Military Transition.