Wat had moeten verenigen, werd een splijtzwam

Een museum voor onze geschiedenis moest een gevoel van crisis bestrijden.

Vier jaar later bleek het project het brandpunt van een heuse cultuuroorlog.

Nu het Nationaal Historisch Museum (NHM) verdwijnt, rest de vraag: hoe zal het museum zelf de geschiedenis ingaan? Hoe wordt er over tien, twintig jaar teruggekeken op het ambitieuze project dat in 2006 met algemene bijval werd opgezet, vervolgens ten prooi viel aan tegenstrijdige belangen en al snel tot een hoofdpijndossier werd – totdat in het voorjaar van 2011 tot opluchting van velen de stekker eruit werd getrokken? Zien we het als een formidabele gemiste kans, typisch een voorbeeld van een grootse onderneming die teniet werd gedaan door kleinzielige Hollandse politiek? Of stellen we vast dat er iets in het idee van het museum zelf was wat de ellende die volgde onontkoombaar maakte?

In juni 2006 citeerde de toenmalige leider van de SP, Jan Marijnissen, tijdens een debat in de Tweede Kamer de populaire geschiedschrijver Geert Mak. Het waren woorden van gewicht: „Wie het verleden kwijtraakt, verliest ook de greep op de toekomst.” Bepleit werd een Huis van de Geschiedenis.

Het wegvallen van algemeen gedeelde historische kennis zag Marijnissen, en velen met hem, als een belangrijke oorzaak voor het ontbreken van cohesie in de Nederlandse samenleving. Hij sprak van een identiteitscrisis. „De hedendaagse verwarring over onze morele, culturele en politieke identiteit vindt voor een deel haar verklaring in het ontbreken van historisch besef in brede lagen van de bevolking.” Volgens de politicus had dat funeste gevolgen. „Die verwarring wordt duidelijk als we worden geplaatst voor vragen als ‘Hoe tolerant mag je zijn tegenover een religie met intolerante kanten?’, of ‘Heeft de school een taak als het gaat om waarden- en normenoverdracht?’, of ‘Hoe erg of gewenst is het als ons land een provincie wordt van Europa?’”

Maar er was meer aan de hand, volgens de SP-leider. Een gemeenschappelijke geschiedenis was als een gedeelde taal; wanneer die wegviel, werd het onmogelijk om elkaar nog te verstaan. Alles ging steeds sneller, mensen raakten almaar meer geïndividualiseerd, zodat er geen collectieve ambities meer leken te zijn. Daardoor verdween de gedeelde oriëntatie en ontstond onzekerheid over de identiteit.

Wat hebben we nog met elkaar te maken, wanneer we steeds minder delen? Wat verbindt ons in een cultuur waarin de contacten steeds vluchtiger worden, een cultuur waarin gewortelde kennis is vervangen door vluchtige informatie?

Wie de argumenten van Marijnissen vijf jaar na dato terugleest, begrijpt hoe problematisch de oorsprong van zijn Huis van de Geschiedenis was. Meer nog dan het uitdragen van een nieuw historisch besef was het museum bedoeld als wapen bij het bestrijden van een diepliggend gevoel van crisis. Er was het wegvallen van gedeelde historische kennis; er was de postmoderne schaamte voor de vaderlandse geschiedenis, uit angst voor fout nationalisme of achterlijke folklore; er was een elite die zijn verantwoordelijkheid weigerde of niet durfde te nemen. Er was vooral een groot gevoel van malaise over het wegvallen van een idee van gemeenschap. De gedachte was dat een opnieuw gedeelde geschiedenis ons weer onderdak – vandaar dat Huis – zou kunnen verlenen, niet alleen door het wegvallen van gezamenlijke referentiepunten te compenseren (nu weten we allemaal weer wanneer Bonifatius werd vermoord!), maar ook door een groter gevoel van maatschappelijke samenhang te bewerkstelligen.

Vier jaar later. In een interview in de Volkskrant van 24 juli 2010 beklaagde de architect Francine Houben zich over het gemak waarmee haar ontwerp voor het te bouwen Nationaal Historisch Museum terzijde was geschoven. Dat ontwerp stond bekend als de Canontoren. Het uit rode baksteen opgetrokken ontwerp telde vijf verdiepingen, waarop bezoekers via vensters een blik op vijftig thema’s uit de Nederlandse geschiedenis geboden zou worden. Het was zonder pardon van tafel geveegd door de twee directeuren van het museum en het ministerie van OC&W. Houben: „Dit was een van de mooiste plannen die we ooit hebben gemaakt. Volledig bedacht vanuit de bezoekers. Dit project was voor de schoolbussen, de personeelsuitjes, de gezinnen. Dit was niet voor de culturele elite.”

De Canontoren van Houben zou volgens haarzelf de perfecte uitdrukking zijn geweest van die nieuwe behoefte aan restauratie, die niets minder dan een restauratie van ons historisch bewustzijn zou moeten inhouden. Niet voor niks legde zij in haar ontwerp een direct verband met de door Nederlandse historici opgestelde canon, waarin een soort historische basiskennis tegen de klippen op was vastgelegd.

Opvallend aan de klacht van Houben in dat interview was dat ze het afwijzen van haar ontwerp als onderdeel van een sociale strijd zag. Uit haar woorden valt op te maken dat haar Canontoren in de aard een statement geweest moet zijn tegen een elite-idee van een museum, of misschien zelfs tegen een elite-idee van geschiedenis. Schoolbussen, personeelsuitjes, gezinnen, de implicatie is duidelijk: de directie en het ministerie van OC&W hadden geen oog voor de behoeftes en belangstelling van ‘gewone mensen’.

Zo maakte Houben haar afgekeurde ontwerp tot het brandpunt van twee belangrijke discussies. Haar museum was volgens haar het slachtoffer van de strijd tussen enerzijds volk en elite, en anderzijds een traditionele en een postmoderne opvatting van cultuur.

Toen zij haar hart luchtte, was inmiddels ook het enthousiasme van Jan Marijnissen voor het museum danig afgenomen. In het voorjaar van 2009 ontplofte hij bijkans van verontwaardiging door het voorstel van de directeuren de collectie thematisch te ordenen in vijf ‘werelden’: Ik en wij, Lichaam en geest, Rijk en arm, Oorlog en vrede en Land en water. Marijnissen: „Het wordt zo een postmoderne hutspot, hipdoenerij van museumbobo’s. Een nationaal museum moet een chronologie bieden. Zo simpel is het, heel veel mensen kennen die niet. Dat is het grote manco, we hebben geen tijdbalk in ons hoofd. Het idee was: de chronologie moet je horen, zien, meemaken. Dat moet de hoofdzaak zijn. Al het andere komt later wel.”

Amper vier jaar na het initiatief tot het oprichten van een museum voor onze nationale geschiedenis bleek het project het brandpunt van wat je een heuse cultuuroorlog kunt noemen. Wat de natie opnieuw had moeten verenigen, bleek een splijtzwam. Het was volk tegen elite, conservatief tegen postmodern, chronologisch tegenover thematisch, onderwijzend tegenover interactief, ordenend tegenover dynamisch.

Daarbij kwam nog de slepende discussie over de geëigende locatie van het museum, waarbij veel van deze tegenstellingen ook een rol speelden. Was het museum bedoeld voor gewone Hollandse dagjesmensen, die het even meepikten wanneer ze het Openluchtmuseum in Arnhem bezochten? Richtte het zich juist op buitenlandse bezoekers, die, zoals Marijnissen beweerde, echt niet van plan waren om Arnhem aan te doen?

Daarbovenop kwam een nog fundamenteler discussie – moest het eigenlijk wel een museum in de klassieke zin van het woord zijn, dat wil zeggen: een gebouw? Terwijl het traditionele beeld van het museum als bewaarplaats van objecten overal onder druk stond en gaandeweg plaatsmaakte voor een dynamischer en meer interactief model, werd van het Nationaal Museum à la Marijnissen juist verwacht dat het weerwerk bood aan die ontwikkelingen – het zou het idee van een museum zelf moeten vrijmaken van postmoderne tendensen.

Toen Houben haar interview aan de Volkskrant gaf, was duidelijk dat het Nationaal Historisch Museum speelbal was geworden van de krachten die het museum in de visie van zijn bedenkers nu juist zou moeten bestrijden. Alles was inmiddels omstreden: plaats, gebouw, directie, collectie, presentatie en publiek. In plaats van dat men alvorens een dergelijk museum op te richten een grondige discussie had gevoerd over de grondslagen ervan, werd het wordingsproces van het museum volledig ondergeschikt gemaakt aan de discussie over de uitgangspunten. Wat een antwoord op de crisis moest zijn, werd er het pijnlijke symbool van.

Ook het Nationaal Historisch Museum werd door de bezuinigingen van het kabinet-Rutte getroffen. In oktober 2010 maakte staatssecretaris Zijlstra (Cultuur, VVD) duidelijk dat het museum geen nieuw gebouw zou krijgen. Er was geen geld meer voor, werd gezegd. Maar aan alles was te merken dat men er ook geen zin meer in had.

Vanaf het moment van oprichting werd het Nationaal Historisch Museum verscheurd door tegenstrijdige visies. De initiatiefnemers wilden een verdedigingswal opwerpen tegen die dynamiek van snelle afwisseling en niet-uitgediepte sensaties. Terwijl andere Nederlandse musea zich onbekommerd overgaven aan speelse, interactieve experiences, werd van het Nationaal Historisch Museum verwacht dat het die trend een halt zou toeroepen.

De afgewezen Canontoren van Houben was het symbool van een conflict dat terug te voeren is op twee verschillende ideeën over wat cultuur is, zoals de Italiaanse schrijver Alessandro Baricco die beschrijft in zijn vooral in Nederland populaire essay De barbaren. Dat conflict kwam tot uiting in de talloze discussies en irritaties rondom het museum, maar het werd jammer genoeg voor het publiek nooit zichtbaar gemaakt, zodat men zijn belangstelling verloor. Wat wel zichtbaar was, was het afnemend enthousiasme bij alle partijen, de bittere uitwisseling van hoon en schamperheid, het eindeloze gemarchandeer. De financiële crisis bleek het volmaakte excuus om een einde te maken aan wat verdacht veel op een lijdensweg was gaan lijken.

Hoe zal het Nationaal Historisch Museum de vaderlandse geschiedenis in gaan? Alle grote discussies die Nederland het afgelopen decennium in de greep hielden, kwamen samen in de lange, zwabberende aanloop naar wat het museum moest worden, met fatale gevolgen. Het museum als zodanig is altijd discussiestuk gebleven.

Terugkijkend op het Nationaal Historisch Museum zien we ons huidige onvermogen in zijn volle glorie. We zien de onmacht om tot een gelijkluidende visie te komen, de onmacht om besluitvorming om te zetten in daadkracht, maar vooral de onmacht om goed naar onszelf te kijken. Zelfbewustzijn lijkt plaats te hebben gemaakt voor loze assertiviteit.

Dat het museum ten onder ging aan die discussies betekent niet dat die tevergeefs zijn geweest. Het museum zelf zal als een gemiste kans de geschiedenis ingaan. Het debat eromheen zal gevoerd moeten blijven worden. Het is wezenlijk voor ons idee van wat een samenleving zou moeten zijn.

Bas Heijne is schrijver, essayist en redacteur van NRC Handelsblad. Dit is een bekorte versie van het essay dat hij schreef op verzoek van directeur Erik Schilp van het Nationaal Historisch Museum, ter gelegenheid van de sluiting van het museum op 1 januari 2012.