Vroeger was het erger. Of toch niet?

Geen werk, geen huis en vaak torenhoge schulden. Het zit jongeren van nu niet mee.

Een op de twaalf is werkloos. En een vast contract wordt steeds zeldzamer.

Patricia Veldhuis

Een verloren generatie kun je de 25-minners van nu bepaald niet noemen. Ze mogen de afgelopen jaren twee keer een grote economische crisis hebben meegemaakt, zo zwaar als de No Future-jongeren in de jaren tachtig van de vorige eeuw hebben ze het nog lang niet.

Tijdens de economische recessie van toen was een kwart van de 14- tot 25-jarigen werkloos, nu gaat het om ruim 8 procent. Bovendien is de jeugdwerkloosheid in Nederland laag vergeleken met andere Europese landen. Zelfs in de goedlopende economieën Duitsland en Oostenrijk zijn er meer jongeren die geen baan kunnen vinden. In landen als Italië en Spanje zijn de baankansen van jongeren ronduit dramatisch. Daar was het derde kwartaal van afgelopen jaar 23 procent (Italië) en 46 procent (Spanje) van alle jongeren werkloos.

Wat allemaal niet wil zeggen dat de Nederlandse jongeren van nu geen last hebben van de crisis. De werkloosheid onder hen loopt sinds de zomer snel op, sneller dan onder oudere generaties.

Jongeren verliezen als eersten hun baan als het slecht gaat met de economie. Inmiddels is 1 op de 12 jongeren onder de 26 jaar officieel werkloos. En volgens arbeidsmarktdeskundigen is dat cijfer geflatteerd doordat jongeren zich niet snel als werkzoekende laten inschrijven. Ze proberen vaak eerst via stages aan een baan te komen, zegt Ton Wilthagen, hoogleraar arbeidsmarkt aan de universiteit van Tilburg.

Die jongeren gaan vaak weer ‘even’ bij hun ouders wonen om de kosten te drukken en het stempel ‘werkloos’ te vermijden. Anderen noemen zichzelf freelancer om maar niet als werkloze door het leven te gaan, ook al verdienen ze met hun ‘eigen zaak’ vaak minder dan het minimumloon.

Een andere tactiek die jongeren toepassen om werkloosheid te omzeilen is langer doorstuderen. Tijdens de crisis in 2008 deden zo’n dertigduizend scholieren en studenten dat. Maar die groep uitstellers is nu echt klaar met studeren en moet de arbeidsmarkt op.

En dat is nu precies waar FNV Jong bang voor was: grote groepen scholieren en studenten moeten gaan werken, omdat hun uitsteltactieken op zijn. En zelfs al zouden die jongeren het willen, een tweede of derde studie is „onbetaalbaar geworden”. De kosten voor een studie zijn nu al hoog, zegt voorzitter van FNV Jong, Dennis Wiersma.

Studenten lenen daarom al meer om het te kunnen betalen. De gemiddelde studieschuld loopt dan ook snel op: van 13.318 euro in 2010 naar 14.657 euro in 2011. „Jongeren hebben nog nooit zoveel schulden gemaakt”, volgens Wiersma. „Als je dan ook nog geen baan hebt, kom je onherroepelijk in de problemen. Er zijn 50.000 jongeren die hun zorgverzekering niet kunnen betalen.”

Ook jongeren die wel een baan hebben, hebben last van de crisis. Ze komen veel moeilijker aan een vast contract. De doorstroom van mensen met flexibele contracten naar een vast contract stokt, ziet Wilthagen. Hij volgt een panel van duizenden mensen. Voor de crisis stroomde de helft van de mensen met een flexcontract door naar een vaste baan. In 2010 was dat nog maar zo’n 18 procent. Wilthagen krijgt binnenkort cijfers voor 2011, hij verwacht dat het percentage doorstromers verder is afgenomen. „Een flexibel contract is geen opstap meer naar een vaste baan.”

Zorgelijk, vindt Wiersma van FNV Jong: „De helft van het aantal mensen met een tijdelijk contract is jonger dan 26 jaar. Daar zitten een heleboel mbo’ers tussen die nu een zelfstandig leven willen opbouwen. Dat wordt heel lastig.” Kom bijvoorbeeld maar eens aan een hypotheek, als 22-jarige mbo’er zonder vast contract. Banken zijn de laatste tijd sowieso niet scheutig met hypotheken, maar aan starters op de woningmarkt zonder eigen geld en zonder vast contract zal geen enkele bank een paar ton uitlenen. Dus rest (goedkoop) huren, antikraak, lang in studentenhuizen blijven wonen of terug naar het ouderlijk huis.

Daar staat tegenover dat binnen nu en een paar jaar duizenden werknemers uit de babyboomgeneratie met pensioen gaan. Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht publiceerde vorige maand een verrassend positief getoonzet rapport: ondanks de aanstaande recessie zal de werkgelegenheid tot 2016 groeien met gemiddeld 0,4 procent per jaar. In de komende jaren heeft daarom een op de drie schoolverlaters – mits hij of zij een diploma heeft gehaald – „een goed tot zeer goed arbeidsmarktperspectief”. Daarbij maakt het wel een enorm verschil of je rechten (kansloos), journalistiek (nog kanslozer) of geneeskunde (bingo!) studeert.

Voor Dennis Wiersma is dit niet alleen maar goed nieuws. „De vergrijzing komt over een paar jaar pas echt goed op gang, dus tot die tijd hebben jongeren een grote kans op werkloosheid.”

Maar zelfs dat betekent niet het einde van de carrière van jongeren. De verloren generatie van de jaren tachtig bleek uiteindelijk ook niet verloren. Ze hadden op latere leeftijd zelfs vaker een baan dan de jongeren uit de jaren zeventig die meteen een baan vonden, blijkt uit onderzoek van Jan van Ours, arbeidseconoom van de Universiteit van Tilburg.

Wilthagen is echter niet optimistisch over de arbeidskansen van jongeren. „Werkgevers zijn door de crises van de afgelopen jaren alleen maar risico-averser geworden. Die blijven ook straks bang om mensen aan te nemen op vaste contracten, met uitzondering van een selecte groep. Het model van een groeiende flexibele schil wordt niet opgeheven door de vergrijzing.” Als we niks doen, lopen mensen vast in flexcontracten, zegt Wilthagen. Het flexibele contract is nu een wachtlokaal, waar je vooral niet te veel moet zeuren totdat de poort opengaat naar het vaste contract. „Als die poort minder vaak opengaat, dan wordt het flexcontract wel erg karig.”

Terug naar papa en mama: gezellig en goedkoop

Op je achttiende de deur uit gaan en na een paar jaar toch weer terugkomen. In de jaren zeventig deed 7 procent van de jongens dat en 10 procent van de meisjes. Nu: 13 procent van de jongens en 19 procent van de meisjes (bron: CBS).

Gezelligheid is een belangrijke reden om terug te keren, volgens het CBS. Kinderen schamen zich er niet voor en ze kunnen thuis doen wat ze willen. Hun ouders zijn niet streng.

Bijkomende redenen: stukgelopen relatie, afgeronde of afgebroken opleiding, huur die is opgezegd. In enquêtes wordt in 5 procent van de gevallen geldgebrek als reden genoemd.